BOEK

Doet sneeuw pijn

Doet sneeuw pijn

Carolien Spaans

Doet sneeuw pijn is een boek over de liefde tussen twee gewone mensen, een ondenkbaar verlies en de onwaarschijnlijke kracht om opnieuw te beginnen.

ISBN: 9789048844180 | Paperback, 208 blz | € 21.99 |


Eindelijk hebben ze elkaar gevonden, Carolien en Jean Michel. Ze beginnen een leven samen, wat niet altijd even makkelijk is. Ze krijgen een prachtige zoon. Dan gaat Jean zoals elk jaar skiën met zijn vrienden en dit keer komt hij niet meer terug. Na de begrafenis rest er een levensgroot gat dat opnieuw gevuld moet worden. Maar hoe? Doet sneeuw pijn is een boek over de liefde tussen twee gewone mensen, een ondenkbaar verlies en de onwaarschijnlijke kracht om opnieuw te beginnen.

DE ONTMOETING

‘Hoi!’
‘Hoi!’
Ons eerste gesprek is geen Shakespeare.
Dat hoeft ook niet, want ik weet al wie hij is omdat ik hem in een vrouwenblad heb zien staan, in een lijst met de vijftig leukste vrijgezellen van Nederland. Op nummer dertig stond-ie, de tekst sprak van een ‘half-Frans genenpalet’ en ‘vrouwen die een potentiële echtgenoot ruiken’ omdat hij ‘met zijn veertig jaar onderhand de wilde haren kwijt zou moeten zijn’. Erboven zijn foto: een knappe vent met een kloeke neus en sympathieke ogen. Op zijn hoofd een flappend hoedje, een raar ding dat bij hem juist mooi staat. Ik had gedacht: maar die is van mij, straks.
Hij weet ook wie ik ben, omdat ik bij dat blad werk en die lijst heb gemaakt. Mijn collega had zijn foto aan me laten zien: ‘Dit is Jean Michel, heel vrouwelijk Haarlem zit achter hem aan. Leuk voor in de lijst, toch?’ Ik had ja gezegd, informatie over hem losgepeuterd, het tekstje geschreven, de foto erboven gezet. Hij had me per mail bedankt voor zijn toegenomen populariteit in de kroeg.
Straks blijkt nu. Hij komt de cafétrap af en ik loop net omhoog. Het is twee uur ’s nachts. Te laat om nuchter te zijn, maar te vroeg om de handdoek in de ring te gooien. Het is vrijdagnacht in ­Amsterdam en er is nog niks spannends gebeurd. Ik haat vrijdagnachten waarop niks spannends gebeurt. We zien elkaar en roepen iets eenvoudigs met uitroeptekens erachter omdat de muziek zo hard staat, en misschien ook omdat we allebei verbaasd zijn dat we elkaar nu dan toch in het echt zien. Ik loop door naar boven, waar ik mijn vriendinnen elleboog en meld dat er dus net iets heel spannends is voorgevallen. Ik hoop dat hij dat beneden ook tegen zijn vrienden zegt.
‘Ga dan naar hem toe!’
Een van hen geeft me een zet, maar ik gil boven de muziek uit dat ik zeker weet dat ik wel iets van hem ga horen, ‘want dat voel ik! Aan mijn water!’ En ik hoop het, dat vooral. Na zeven jaar daten met een divers assortiment mannen – van kabouters tot freefighters en van ­half-­Jamaicanen tot een oer-Hollandse Fred – ben ik moe. De jacht, de teleurstelling, het gekoekeloer op telefoons en in mailboxen: moe.
De volgende ochtend stuurt Jean me via Hyves een berichtje. Ik stuur er eentje terug. Hij stuurt er eentje terug. Koetjes en kalfjes.
‘Pak eens even door, vriend,’ zeg ik tegen het scherm.
‘Gaan we wat drinken?’ zegt het scherm terug.
‘Oké.’
‘Donderdag?’
‘Oké.’
‘Dag Carolien Spaans.’
‘Dag Jean Michel Kamp.’
Maar die maandag komt er meteen iets tussen. We werken aan een nummer over ijdelheid en ik heb die dag een afspraak om een nieuwe beautybehandeling te laten testen. Met mijn tweeëndertig jaar ben ik de redactie-oudste en dus moet ik alle dingen met rimpel­preventie doen. Ik heb geen rimpels. De behandeling heet de fractional laser. ‘De laser stuurt kleine warmtekolommetjes door de huid, waardoor deze wordt aangezet nieuw collageen te vormen’, lees ik in een folder in de wachtkamer van de kliniek. Een kwartier later lig ik in een medische stoel, mijn ogen zijn afgeplakt ‘tegen de straling’ (welke straling?) en ik hoor de cosmetisch arts zeggen dat er ‘nu een assistent bij komt om de rook af te zuigen’. Ik wil iets vragen over rook (welke rook?), maar hij begint al: ‘Het kan een beetje prikken.’ Dzzzingg. O! Ik ruik verbrand haar en geroosterde drumsticks, maar voel vooral heel veel, een halfuur lang. Pijn.
Ik ga naar mijn ouders om te herstellen, met een hoofd dat eruitziet alsof iemand gloeiend kippengaas tegen mijn huid heeft gedrukt. Mijn vader is razend, ik kijk veel in de spiegel en bedenk dat als dit niet meer goedkomt, ik mijn dagen zal moeten slijten als een verminkte. Ik stuur Jean een berichtje dat ik donderdag niet ga redden ‘door omstandigheden’. Vierkantjes huid krullen kwaad op mijn wangen en weigeren helemaal los te laten. Ik stuur foto’s van mijn herstel naar de redactie en hun ‘Komt goed!’ verandert gaandeweg in ‘Jezus’ en ‘O jee’ met zwijgende puntjes erachter. Na een week keer ik terug naar Amsterdam met een knalroze, glimmend hoofd. Het rasterpatroon zit alleen nog langs mijn kaaklijn.
In week twee stuurt Jean geen bericht.
Ik ook niet.
In week drie ook niet.
Ik ook niet.
In week vier durf ik weer uit. En opeens staat hij voor mijn neus. Of nou ja, ik weet via via waar hij die avond is, en toevallig was ik ook al van plan om daarheen te gaan.
‘Hoi!’
‘Hoi!’
We zwijgen even. Dit kan beter, we zijn er nu toch.
Ik leg ‘de omstandigheden’ uit. Hij de zijne: er was nog een ander meisje, blijkt. ‘Maar nu niet meer.’
Dan moeten we opeens heel veel praten, en daarna gaan we naar een ander café, en eigenlijk is het vooral logisch om daar, midden op de dansvloer van de Kleine Cooldown, twee uur lang te zoenen. Het weekend erop kan ik wel. Jean wil niet zeggen wat we gaan doen. ‘Ik haal je op en we gaan een nachtje weg en je moet winter- en zomerkleren meenemen.’ ‘Oké, maar als we gaan skiën maak ik je dood, want ik háát skiën.’ Dat was een grap want hoezo zouden we gaan skiën, ik ken hem net. Toch rijdt hij de volgende zaterdagochtend echt naar Schiphol. En we vliegen naar Nice. En de huurauto rijdt vanaf daar steeds hoger de bergen in.
‘Ik kan niet skiën!’ roep ik vanaf de eerste bergtop.
‘Jawel! Gewoon gaan!’
Jean glijdt op zijn snowboard in recordtempo naar de voet van de berg, of misschien is het maar tien meter, ik zie helemaal niks omdat het zo mistig is. Vloekend zet ik af, ik kan heus wel een beetje skiën, maar ik vind skiën koud en eng en die kloteschoenen en nu dus ook nog mist, godsámme zeg.
‘Ik dacht dat je een grapje maakte, omdat je vorige week vertelde dat je een seizoen in een skidorp hebt gewerkt,’ zegt Jean boven een bord friet met worst als we na twee uur glijden, vallen en opstaan godzijdank een chaletje langs de piste hebben gehaald.
‘Gewérkt, ja.’
‘Maar als je in een skidorp werkt, ga je toch ook… nou, skiën?’
‘Dat was ook het hele plan van mijn sabbatical. Zoals ik daar ook Frans wilde leren, en ging stoppen met roken.’
‘O.’
‘Dus kunnen we nu stoppen?’
‘Hm. We moeten nog een klein stukje.’
Dat kleine stukje is toevallig een als zwarte vermomde rode piste. Ik kijk naar beneden en mompel ‘dacht het niet’. In V-pas probeer ik terug te klunen naar de lift, maar de bediende schudt zijn hoofd. Non. Terwijl ik razend van de gêne op mijn billen over ijzige buckels stuiter, schalt Jean adviezen bergopwaarts. ‘Probeer te staan! Buig je knieën! Het gaat goed!’ Ik voel haat en ik moet plassen en ik vind hem tussendoor ook heel aantrekkelijk, maar dat gaat ’m nu dus even geen zak aan.
In de auto terug maakt hij grapjes die niet heel grappig zijn, maar toch moet ik lachen. Ik kijk naar zijn profiel en word verliefd op zijn neus, er zit een kleine knik in. En op zijn handen, ‘­Elegante ­handen,’ zal mijn moeder later nog vaak zeggen. We praten en praten en doen boodschappen, en in een appartement dat van zijn ouders blijkt te zijn, vult hij het bad voor me en brengt eten, zelfgemaakt. Ik zie sla, gebakken biefstukreepjes, parmezaan, avocado en tomaat in mijn kom en ben onder de indruk. Ik weet dan nog niet dat dit ongeveer het enige is wat hij kan maken.
We praten nog meer. Ik ben verliefd op zijn ogen en op hoe hij naar me kijkt vanaf de badrand. Later liggen we op de bank, ik in de holte van zijn buik, zijn arm trekt me steeds dieper in zijn lijf totdat we één lepel zijn. We zijn gestopt met praten en luisteren naar de stilte die niet ongemakkelijk is. En dat is het moment. Dat ik weet: hij en ik. Omdat ik voor het eerst in mijn leven stilsta, met die eeuwige stormkop van me. Ik ben hier, en nergens anders. Ik wil hem, en niemand anders.
‘Jij gaat zó met mij trouwen,’ fluister ik.
‘Oké,’ zegt hij.
‘Dus,’ zeg ik.
‘Dat wordt nog heel veel skiën, met dat hele tot de dood ons scheidt.’
‘Dat doe je maar lekker in je eentje.’
‘Dus het is geen dealbreaker?’
‘Geen dealbreaker.’
‘Oké.’

'Carolien Spaans is een geweldige schrijfster dat wisten we al door haar stukken in de VARAgids. Nu gebruikte ze dat talent om een boek te schrijven over het drama dat haar overkwam, net zo raak opgetekend. Prachtig boek over verlies en hoe je dan verder moet.'

VARAgids

Een persoonlijk en openhartig verslag.

Parool

Ondanks het heftige onderwerp is Doet sneeuw pijn ook komisch, en dat is heel knap.

Nadia Moussaid - Laat op één

Prachtig en hartverscheurend. Kon het niet wegleggen.

Nynke de Jong

Raak, rauw en retegeestig tegelijk: dan ben je een hele grote, hoor.

Eva Hoeke

Wat een geweldig geschreven boek. Gelezen met een lach en een traan, al klinkt dat veel te cliché voor een boek waarin juist alle clichés worden vermeden.

Antoinnette Scheulderman

Het boek is zo geschreven dat je de liefde voelt maar ook de humor terug leest. En dat vind ik zo knap.

Koukleum.nl

Las binnen een middag het debuut van Carolien Spaans. Drie keer weggelegd want deed pijn, maar ook vaak gegrinnikt en leest als 'n trein. Zo over de dood en de liefde en het leven en andere beslommeringen schrijven: daar teken ik voor.

Tatiana Almuli