Blog


We hebben toch geen man nodig, mama? - Roxane van Iperen

We hebben toch geen man nodig, mama? 03-06-2019

De damesclub is weer compleet aan de ontbijttafel. We proberen de jampot open te krijgen. We hebben het over beha’s. Over maten. Over dat hun oma vroeger nooit een beha droeg. Ik was thuis de eerste die met zo’n ding rondliep.

“Maar een beha is toch gewoon voor de steun?” zegt de veertienjarige.

“In die tijd werd de beha nog beschouwd als vrouwenonderdrukking. De beha zou ons reduceren tot een seksobject,” zeg ik. “En dát willen we absoluut niet, hè?”

Over mijn brillenglazen kijk ik ze aan. De meisjes schudden snel hun hoofd.

Ik vertel over oma; de eerste - toentertijd misschien wel enige - vrouw in het dorp die fulltime werkte en kostwinner was. Over hun opa die elke dag kookte en ’s middags thuis was als ik uit school kwam.

Ik weet nog dat ik als kind altijd verhaaltjes schreef waarin ik mijn vader steevast buitenshuis liet werken, en mijn moeder met een schort aan achter het fornuis liet figureren. Net zoals alle andere ouders die ik kende.

“Kinderen zijn conservatief,” zei mijn moeder daarover.

Mijn meisjes vinden het vreemd dat het toen vreemd was dat een man thuis was en kookte.

Ik vertel ze ook dat oma, die onderwijzeres was, bij de eerste lichting vrouwen hoorde die niet meteen hoefde te stoppen met werken zodra ze trouwde en een kind - mij - kreeg.

“Zó lang is het dus allemaal nog niet geleden, hè?”

“Waren er vroeger dan alleen maar meesters?” vraagt de negenjarige.

“Er waren wel juffrouwen, maar die mochten geen man en kinderen hebben.”

Dat vinden ze totaal idioot.

De jampot blijft intussen potdicht. Zelfs de negenjarige - de sterkste van ons drie - krijgt het deksel deze keer niet opengedraaid.

“Een vork!” zeg ik.

“Nee!” zegt de veertienjarige. “Al onze vorken gaan zo kapot!”

“Neem ik er eentje die al gebogen tanden heeft.”

Mijn dochters kijken zwijgend toe hoe ik het met de vork probeer. Hoe alleen die vorktanden nog krommer buigen maar er verder nergens lucht tussenkomt.

“De buurman!” zeg ik.

“We hebben toch geen man nodig, mama?” De veertienjarige trekt een gezicht.

“Mannen zijn fysiek sterker,” zeg ik. “Dat is gewoon zo.”

“Ja,” zegt de negenjarige. “En meisjes zijn veel slimmer, toch?”

“Niet áltijd,” zeg ik snel. Met een pot jam tussen mijn dijen geklemd, twee handen op het dekseltje, een vuurrood hoofd…

“Al met al,” piep ik. “De strijd is nog steeds niet gestreden, dames!”