Nemesis (voorpublicatie)

Nemesis (voorpublicatie)

Simon de Waal

Het was veertien minuten over twee. Haar blik ging al naar de wekker
voordat ze doorhad dat ze wakker was.

Een macht der gewoonte, al jarenlang. Waar was ze wakker van geworden? In elk geval was het iets anders dan de normale nachtelijke geluiden in en om haar huis, waar ze gewoon doorheen zou slapen.

Ze kwam half overeind, steunend op een elleboog en ademde langzaam in en uit.

Ze luisterde. Er is iemand binnen.

Ze wist het zeker, ze voelde het, ook al hoorde ze niets. Voorzichtig kwam ze overeind, zo geruisloos mogelijk. Godzijdank zijn Michael en Daan niet thuis. Haar hand ging naar haar telefoon op het nachtkastje. Ze wist dat ze niet kon bellen, maar nam toch de telefoon mee. Langzaam liep ze naar de deur van de slaapkamer.

Nog steeds hoorde ze niets, maar ze voelde dat er iemand in huis was. Laat ze denken dat ik slaap, als ze inbreken. 

Ze deed een paar geruisloze stappen de gang op, tot aan de bovenste trede van de trap, vanwaar ze probeerde te zien wat er beneden gebeurde. In elk geval zou ze nooit onopvallend de trap af komen, die was oud en kraakte zo’n beetje om de trede.

‘Lopen,’ klonk ineens een dreigende fluisterstem achter haar, angstig dichtbij.

Hij zit in de slaapkamer van mijn dochter…

Ze voelde een duw in haar rug, die weliswaar licht was maar daardoor des te dreigender. Heeft hij een wapen? Of is het zijn vinger? Sowieso was meewerken nu het verstandigste wat ze kon doen.

Langzaam daalde ze de trap af, de man volgde haar bijna onhoorbaar. Vanaf de laatste trede zag ze dat er iemand in de woonkamer stond, groot, stevig gebouwd, zijn benen licht gespreid, zijn armen over elkaar. Dat is nummer twee.

Ze probeerde details te onderscheiden, maar slaagde daar vanwege de duisternis niet goed in. Met zijn donkere kleding en zijn bivakmuts op was de man beneden slechts een dreigend silhouet, zijn hoofd gebogen naar de grond. Hij keek pas op toen ze op de bank werd geduwd, maar zei niets. In de duisternis van de kamer
kon ze zijn ogen amper ontwaren. Haar hart klopte in haar keel.

Nu pas zag ze de man die achter haar op de trap had gelopen. Hij was kleiner, maar precies hetzelfde gekleed als de grote man, het viel haar op dat ze beiden handschoenen droegen. De grote hield een donker pistool in zijn rechterhand, en liet dat achteloos leunen op zijn linkerarm. De man die Sylvia op de bank had geduwd pakte haar telefoon uit haar hand en gaf die aan het donkere silhouet.

Zwijgend bleven de twee enige tijd naast elkaar staan, zo lang dat Sylvia zich niet kon inhouden.

‘Wat moeten jullie?’

Een antwoord kwam er niet. Uiteindelijk draaide de kleine zich om, schoof de gordijnen iets uit elkaar, opende de deur naar de tuin en ging naar buiten. Wat gaat hij doen? Zijn daar nog meer mensen?

De gordijnen weken na een paar tellen weer uiteen toen een op de rug geboeide man naar binnen werd geduwd, hard op de grond viel en daar roerloos bleef liggen. Hij droeg eenzelfde bivakmuts als de anderen, maar deze zat omgekeerd op zijn hoofd, zodat hij niets kon zien.

Sylvia schrok. Is het iemand die ik ken? Is het mijn man? Nee, die is ver weg. Mijn broer? Nee, die zou nooit zulke kleren dragen. Het is in elk geval – godzijdank – niet een van mijn kinderen.

De grote man bleef stoïcijns met zijn armen over elkaar staan. De man op de grond probeerde overeind te komen, maar na een harde schop in zijn ribben kromp hij in elkaar. Toen, eindelijk, haalde de grote man zijn armen van elkaar, deed een stap in haar richting en boog voorover naar Sylvia. Ze zag zijn ogen nu. Koel. Emotieloos.

‘Jullie zijn nergens veilig, dat zie je. Je kinderen niet. Je man niet. Jij al helemaal niet. Je hebt de verkeerde gekozen om achteraan te zitten.’ Zijn fluisterende stem klonk nog dreigender dan die van de kleine man.

Sylvia wilde sterk zijn, niet bang overkomen, niet geïntimideerd lijken, maar het was onmogelijk haar angst te verbergen.

De grote man was met zijn gezicht nu vlak bij het hare, ze kon zijn ademhaling horen. Hij hield zijn hoofd schuin, alsof hij haar daardoor beter kon observeren, trok zich toen terug en knikte. ‘We gaan.’

Hij liep naar de tuindeur, maar voor hij daar was trok hij in het voorbijgaan bijna achteloos de geboeide man omhoog. Hij zette zijn pistool tegen zijn achterhoofd.

De man kronkelde om los te komen en schreeuwde in doodsnood door zijn bivakmuts. De doffe knal en de vuurstraal die vanuit het wapen in het hoofd van de geboeide man leek te verdwijnen, deden Sylvia in elkaar krimpen. Het willoze
lichaam klapte met een misselijkmakend geluid op de grond. Overal bloed en hersens.

De man keek Sylvia een paar tellen aan, gooide toen haar telefoon in een hoek van de bank. ‘Nu kan je de politie bellen,’ mompelde hij en verliet via de tuindeur het huis.

Het schot dreunde nog secondenlang na in Sylvia’s hoofd. Ze probeerde haar ogen weer aan de duisternis te laten wennen, graaide toen naar de telefoon ergens op de bank naast haar.

Ze liep naar een verre hoek van de kamer, ver uit de buurt van de dode man. Ze belde haar zus, die na zes keer overgaan slaapdronken de telefoon opnam.

‘Marieke.’

‘Met Syl. Is alles goed daar?’

‘Ja, natuurlijk. Waarom... Wat is er aan de hand?’

‘Ga bij de kinderen kijken.’

‘Wat?’

‘Ga bij de kinderen kijken. Nu.’

Marieke liep zonder vragen te stellen naar hun slaapkamer. ‘Ze slapen allebei.’

‘Godzijdank.’ Sylvia ademde diep uit en voelde iets van de enorme
spanning haar lichaam verlaten.

‘Wat is er aan de hand, Syl?’

‘Niks. Ik bel je later wel. Doe voor niemand open. Er komt zo meteen politie naar jullie toe, doe alleen open als je uniformen en een politieauto ziet. Niet schrikken, het is alleen maar ter bescherming.’

Het bleef even stil. Toen antwoordde Marieke met trillende stem: ‘Oké. Gaat alles goed met je?’

‘Ik moet verder.’ Sylvia hing op en belde 112. Ze probeerde zo zakelijk mogelijk te klinken toen ze de meldkamer aan de lijn kreeg.

‘Politie.’

‘Met Sylvia van Maele, officier van justitie. Er is hier iemand neergeschoten.’

‘Waar is dat, mevrouw?’

‘Bij mij thuis. Van Maele, officier. Jullie hebben het adres.’

‘Er is iemand neergeschoten, zegt u. We sturen ook een ambulance.’

‘Dat hoeft niet. Hij is dood.’

‘Weet u dat zeker? Ik…’

‘Zijn hersens zitten op mijn behang, dus ik weet het vrij zeker ja,’ onderbrak Sylvia haar venijnig.

‘Ik stuur nu auto’s naar u toe. Is de dader nog in de buurt? Zijn het er meer? Zijn ze met een auto gekomen?’

‘Ik heb geen idee. Meer dan twee in elk geval. Ik heb twee mannen in zwarte kleding gezien. Verder weet ik niets. Ook niet of ze nog...’ Ze begon oncontroleerbaar te trillen toen ze besefte dat ze die mogelijkheid niet eens overwogen had.

‘Ik denk het niet,’ vervolgde ze.

 

Nemesis, de nieuwe politiethriller van Simon de Waal, verschijnt op 18 juli bij Lebowski Publishers.


Gepost in: proza op 2016-07-05

Door Simon de Waal


Ook van Simon de Waal

Schrijven bij muziek

Welke mensen schrijven in doodse stilte? Ik ken ze.

Zij die werken op een stille zolderkamer, met de gordijnen dicht en een koptelefoon op die alle geluid dempt.

Ik niet. Ik gedij bij drukte. Geef me een vol café in Amsterdam Oost of zet de tv aan tijdens een wedstrijd van Ajax, en ik kan nog steeds schrijven.




recente posts

Gepost op: 2017-09-20 in: faits divers
Rolstoel

Rolstoel

Jonah Falke
Gepost op: 2017-09-19 in: proza
Gepost op: 2017-09-19 in: current affairs
Gepost op: 2017-09-18 in: faits divers