Fragment 'Ach, moedertje' (Hugo Borst)

Fragment 'Ach, moedertje' (Hugo Borst)

Hugo Borst

Ach, moedertje van Hugo Borst is de opvolger van de bestseller Ma, over een dementerende moeder in een verpleeghuis. Lees hier de eerste twee hoofdstukken!


ZUIDPOOL

Voordat ik de huiskamer van de woongroep binnenloop, kijk ik vanuit de gang eventjes door het raam. Ma zit in haar eentje aan de grote tafel. Ze staart voor zich uit. Twee medebewoonsters, Floor en Anneke, zitten een meter of zes verderop te dommelen, de anderen zijn waarschijnlijk op hun slaapkamer. Het is halfdrie.
    Ma klapt in haar handen als ze me ziet. Alsof ik net terugkom van een reis naar de Zuidpool. Ik knuff el haar alsof ik net terugkom van een reis naar de Zuidpool. Ze mompelt dat ze niet weet wat er hier van haar wordt verwacht.
    ‘Niks, ma. Wil je even naar buiten? Lekker een loopje?’
    Haar ogen lichten op.
    ‘Het is prachtig weer.’ Ik twijfel even. Zal ik zeggen: net als op je trouwdag, vandaag precies vierenzestig jaar geleden? Ik doe het niet. Ik haal haar rollator, haar rode jas en haar pet. ‘
    Die is niet van mij.’
    ‘Het is jouw pet, ma. Echt.’
    ‘Nee-hee.’
    Ik grinnik. Lekker ouderwets koppig.
    ‘Hier ma, kijk dan, je naam staat erin: Joke Borst.’
    We lopen naar de lift . Nou ja, lopen. Schuifelen, sloff en. Van de vijfde naar de begane grond zie ik pas goed dat de rode jas veel te groot is geworden. Haar kleding zou met haar mee moeten krimpen.
    Terwijl ma de rollator voortduwt zegt ze dat haar armen pijn doen.
    ‘Dat komt doordat je gisteren al met Laurens hebt gewandeld. Je hebt spierpijn.’
    Mijn broer wandelt wel vaker met ma. Als ik op bezoek ben blijven we meestal boven. Ik wijs naar de volière in de tuin van het Verpleeghuis, maar ma besteedt er geen aandacht aan.
    ‘Waar moeten we heen?’
    ‘We lopen een rondje,’ zeg ik, ‘een klein rondje.’
    Ik sla een arm om haar heen, maar let erop die niet op haar broze schouders te laten rusten. Al lopend zeggen we mensen gedag die ook de tuin hebben opgezocht.
    Ma staat stil.
    ‘Daar ga ik niet langs,’ zegt ze. Ze wijst naar een stel koeien.
    ‘Die zijn niet echt, ma. Die zijn van kunststof.’
    Nu durft ze wel. We stoppen even. Ma voelt in haar jaszakken en haalt er twee oorbellen uit. Klippers. Ze probeert ze in te doen. Het duurt een eeuwigheid, maar we hebben geen haast.
    ‘Veel beter zo, ma.’
    Ze heeft altijd oorbellen gedragen.
    Ma zegt iets wat ik niet versta. Ze praat de laatste tijd zo zacht. Nu versta ik haar wel: ‘Ik voel hier iets.’ Ze wijst naar haar borst.
    Ik schrik. Ineens schiet me te binnen wat de verpleeghuisarts recent heeft gezegd: ‘Als jullie gaan wandelen moet je haar met de rolstoel van de vijfde naar de tuin brengen en dan pas wandelen, anders zijn de inspanningen te groot.’ Dom van me.
    ‘Voel je je niet lekker?’ Ik denk: als ma er nu in blijft , is het mijn schuld.
    Dan laat ma een boertje. Ma sprak vroeger altijd van oprispingen trouwens.
    ‘Die kan er maar beter uit zijn, ma. Hoe voel je je nu?’
    Ze knikt afwezig. We zijn halverwege de tuin. Ze kijkt me aan.
    ‘Ik heb niks bij me.’ Ze maakt met haar hand onrustige gebaren, beeldt iets uit. Hakkelend: ‘Als je iets wilt hebben.’
    ‘Je bedoelt een portemonnee? Geld?’
    ‘Ja,’ zegt ma.
    ‘O, ik heb geld bij me. Maar we gaan boven wat drinken. Waar je woont. Daar is alles gratis, ma.’
    In de lift hoor ik nog een oprisping.
    ‘Hoe voel je je?’
    Ze knikt weer. Dan fluistert ze, een beetje samenzweerderig: ‘Ik wil graag slapen.’
    Ik fluister: ‘Nou, dat doen we dan toch, moedertje.’

 

COMMUNE

Ma woont nu een jaar in het Verpleeghuis. In haar woongroep van negen stierven het afgelopen jaar twee bewoners. Binnen een week na hun dood waren de kamers ontruimd en bezet door nieuwkomers.
    Cru gezegd is een verpleeghuis een sterfhuis. De gemiddelde tijd die iemand met alzheimer op een zogenaamde afdeling psychogeriatrie (PG) verblijft is nog geen anderhalf jaar. Patiënten nemen in steeds slechtere staat hun intrek in een verpleeghuis – zo willen we dat in Nederland, dat de mensen zo lang mogelijk thuis blijven wonen.
    Ma woont aan het verre einde van de rechtervleugel van de woongroep. Naast haar huist mevrouw Dullaart die ik, op haar verzoek, heel veel kussen op haar wang geef. Mevrouw Dullaart – ik zeg ook weleens liefkozend Paulientje – zit in een rolstoel. Als je haar achterlangs passeert moet je niet per ongeluk tegen haar stoel stoten, want dan reageert ze als door een adder gebeten. Soms moet ze er zelfs om huilen. Ik vermoed dat ze denkt dat ze geplaagd wordt.
    Met de andere bewoners communiceert mevrouw Dullaart niet veel meer. Toch is ze echt aanwezig. Ze reikt naar je hand, vraagt je of je even bij haar komt zitten of ze wil weten hoe je heet. Soms noemt ze mij mevrouw, ik denk dat haar zicht slecht is. Haar ogen bewegen schichtig zoekend van links naar rechts, als ruitenwissers bij een gemiddeld regenbuitje.
    Links van mevrouw Dullaart woont frêle Nelly. Zij is hier pas. Nelly is een graatmagere Rotterdamse vrouw van drieënnegentig met wie je nog redelijk kunt kletsen, al is ze een beetje hardhorend. Haar gezondheid lijkt broos, ze is vaak benauwd. Ze heeft prachtig dik haar waarvoor ze dolgraag complimentjes in ontvangst neemt. Haar hoofd beweegt altijd een beetje, als zo’n schommelend hondje op een hoedenplank.
    Naast de kamer van Nelly bevindt zich de kamer van Floor. Floor is de sterkste van allemaal. Hoewel ze al negenentachtig is, vermoed ik dat zij de gemiddelde verblijfsduur in de woongroep flink zal opkrikken. Haar vergeetachtigheid valt in het niet bij die van de andere medebewoners. Met Floor kun je goed praten over het Oude Noorden van net voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog.
    In de woonkamer zit ze meestal bij het grote raam, met haar nieuwe buurvrouw Nelly direct naast haar. Hun stoelen staan zo opgesteld dat de dames zien wat er aan de eettafel gebeurt, één hoofdbeweging opzij en Rotterdam-Ommoord kan van vijfh oog worden aanschouwd. Ze zijn vriendinnen geworden. Nelly kan weleens nukkig zijn. Dan praten ze een tijdje niet. Tot een van de twee het ongemak is vergeten of over haar trots heen is gestapt.
    Dan de linkervleugel. Op het verre eind wonen An en Anneke tegenover elkaar. Ze moeten allebei tegen de negentig zijn. An is me d’r eentje. Een echte Rotterdamse, met, volgens de overlevering, het hart op de tong. Jammer genoeg is er van haar woordenschat niet veel over, en zo missen we ook haar Rotterdamse tongval. Ze wordt trouw bezocht door haar dochter Dita en schoonzoon. En een paar keer per week komt haar vriend, een zwaarlijvige, hardhorende tachtiger die bij het afscheid luidkeels zegt dat hij van haar houdt. Henk heet hij. Henk is attent en neemt vaak chocola voor zijn geliefde mee. Hij voert An alsof ze een jong vogeltje is.
    De overbuurvrouw van An is Anneke. Anneke is een schat van een dametje die door haar hoogbejaarde echtgenoot vijf keer in de week wordt bezocht. Ze is heel lief, dat was ze vroeger ook zeggen haar kinderen. En fragiel. Een paar weken geleden is Anneke gevallen. Ze brak daarbij haar heup. Maar Anneke is een dappere dodo. Ze heeft twee dagen in het ziekenhuis gelegen en kwam terug. Haar taal houdt jammer genoeg niet over. Haar echtgenoot smoort haar met aandacht en kussen. Heel ontroerend om te zien.     Naast Anneke woont Ad, een van de drie mannen van de woongroep. Twee hersenbloedingen kort na zijn pensioen veranderden zijn leven, en dat van zijn vrouw. Na een paar jaar was Ad zijn huis en zijn echtgenote ontgroeid. Ad woont pas in het Verpleeghuis. Met zijn negenenzestig jaar is hij een jongensachtige verschijning. Ad die vroeger een mooie baan bij Shell in het Verre Oosten had, heeft heel veel aandacht nodig. Een zoon vertelde me dat Ad helemaal gek is van The Rolling Stones.
    De kamer naast die van Ad wordt bewoond door meneer Schimmel, de nestor van de woongroep. Dit moet een intelligente, zo niet intellectuele man zijn geweest, denk je als je hem ziet. Meneer Schimmel, vierennegentig jaar, heeft een vriendelijk bebaard gezicht. Muziek is voor hem erg belangrijk en een slecht humeur lijkt hem vreemd. Is hij ook in every inch een gentleman? Nou, er is wel wat op hem aan te merken. Meneer Schimmel is in de buurt van vrouwen soms handtastelijk. Dement of niet, zoiets wordt door de verzorgsters natuurlijk niet op prijs gesteld. Als ze hem corrigeren, kordaat of met een lach, kijkt hij verbaasd op. Is dit toneelspel of is hij een slachtoff er van zijn eigen ontremming? Dat laatste, menen zijn nobele verzorgsters. Ondanks deze ondeugd is hij een zeer geliefd lid van de woongroep.
    Naast meneer Schimmel woont, tot slot, George. Hij doet mysterieus over zijn leeft ijd, je moet er niet naar vragen. Hij is een knappe man, met de huid van een midzestiger. Zijn vrouw Ritva is er bijna elke dag om George die lijdt aan alzheimer in combinatie met parkinson te helpen.
    George woont al drie jaar in het Verpleeghuis. Alleen als hij gaat slapen zet hij zijn zonnebril af. Hij is blind, niet helemaal, maar zijn zicht is erg slecht. Een keer, toen ik op zijn kamer was, zag ik zijn ogen. Lichtblauw. Ze staan prachtig bij zijn korte, dikke grijze haar.
    Ik begrijp dat hij zeeman is geweest. Kok, antiquair, maar hij zat ook in het fruit. Gesprekken met George slingeren alle kanten op. Van God en de Bijbel tot alternatieve geneeswijzen en voetbal. Eenmaal in een gesprek verwikkeld is hij behoorlijk vasthoudend.
    George heeft niet de behoefte om zijn kamer te verruilen voor de gemeenschappelijke woonkamer. Zijn vrouw Ritva verricht bergen werk in het Verpleeghuis, niet alleen als mantelzorger, ook als vrijwilliger. Ze is hier vijf dagen per week en is ontzettend lief voor mijn moeder. Het is een fijne gedachte dat als wij er niet zijn ma deze warmte krijgt aangeboden wanneer de verzorgsters het druk hebben.
    In deze veelkleurige commune woont ma. Ze heeft het best getroff en met haar medebewoners.

 


Gepost in: current affairs op 2017-09-19

Door Hugo Borst

recente posts

Om ons allebei | Bij mij thuis

Om ons allebei | Bij mij thuis

Sabine van den Berg
Gepost op: 2017-11-17 in: poëzie
Maria

Maria

Jonah Falke
Gepost op: 2017-11-16 in: proza
Gepost op: 2017-11-13 in: faits divers