Een vermoeiende metafoor (Anneleen Van Offel)

Een vermoeiende metafoor (Anneleen Van Offel)

Anonymous

Op de laatste dag van onze trouwreis krijg ik van onze gastvrouw in Toscane een potje met een lichtgrijs mengsel cadeau. Wanneer ze het opendraait, stroomt het als woeste lava over, snel houdt ze het boven de afwasbak. ‘Zuurdesemstarter’, zegt ze plechtig. Ze is het al jaren aan het kweken en ik krijg er een deel van mee om thuis zelf brood te kunnen bakken, brood dat een kern zal hebben van die lange, zwervende trouwmaanden door Europa. Elke dag moet ik het mengsel voeden met meel en water, alleen door er dagelijks tijd voor te maken zal het kunnen groeien. Ze beseft nauwelijks wat ze me aandoet. Net getrouwd zijn maakt je nogal vatbaar voor metaforen die iets beloven over de liefde.
    Vanaf dan ben ik een vrouw met een missie. Elke dag mik ik er een flinke lepel bloem in en met de losse pols roer ik er kraanwater door. Er gebeurt niets. Een week thuis en ik ben erin geslaagd om de krachtige starter te laten verpieteren tot een depressief hoopje drab. We kopen brood van de Delhaize.
    Een vriend die er wat van kent laat weten dat ik beter meel moet gebruiken, alleen met de zuiverste, zachtste biologische bloem kan dit slagen. ‘Je komt er wel in, voor je het weet geef je het een naam.’ Ik rij er vijftig kilometer voor naar een bakkerij die meel levert rechtstreeks van de molen, schaf me meteen een kniehoge zak aan. Er gebeurt niets. We kopen brood van de Delhaize.
    Een vriendin heeft het ultieme advies: elke dag moet ik meer dan driekwart weggooien, alleen door het volume te verminderen kan het mengsel groeien. Na vijf dagen aan dit regime barst de metafoor op het aanrecht weer van de energie, ik moet hem overhevelen naar een grotere pot, zie elke ochtend verrukt hoe de luchtbellen zich naar de oppervlakte werken. Het mengsel bruist, het leeft, het bubbelt van belofte.
    Maar het blijkt moeilijk om de rust en de tijd te vinden die we twee maanden zo gecultiveerd hebben, en steeds vaker vergeet ik het potje in de keuken. Ik probeer mezelf nog wijs te maken dat het wél lukt om de reis vast te houden, door elk vrij moment te experimenteren met verschillende recepten, door kilometers doorheen de stad te fietsen op zoek naar een betere weegschaal, een betere weckpot, een thermometer waarmee ik de temperatuur van het toegevoegde water kan meten. Het brengt weinig zoden aan de dijk. Alleen de tijd nemen werkt, en de zuurdesem zakt met de dag dramatischer in elkaar.
    ‘Hoe ben je eigenlijk er zeker van dat je altijd bij je lief zal blijven?’ vraagt een vriendin me tijdens een avond vrij. De kwetsbaarheid in haar ogen verraadt dat ze de vraag eigenlijk aan zichzelf stelt. En ik denk: misschien is net het hele punt dat je nooit zeker kan zijn, dat je alleen kan benoemen wat er nu is. Door te trouwen hebben we een spoor getrokken. Een spoor dat we kunnen volgen als we ooit de weg zouden kwijtraken, een spoor dat ons door de tijd heen terug kan brengen naar het moment dat we geloofden dat het voor altijd was. En misschien is dat genoeg.
    Wanneer zwarte schimmel zich op het oppervlak begint te vormen, kieper ik Donna dan maar in de vuilnisbak. Vanuit de zetel klinkt een opgeluchte zucht, mijn lief vraagt of ik nu weer tijd heb om rustig bij hem te komen zitten.

 

Deze column is eerder gepubliceerd in De Standaard. Fotograaf: Maarten van der Kamp. In februari verschijnt de debuutroman van Anneleen Van Offel, Hier is alles veilig, bij Lebowski.


Gepost in: proza op 2019-11-06