Dat we al lang een serieus leven hébben, ergens. En er niet nog aan moeten beginnen, ooit. Misschien.

Dat we al lang een serieus leven hébben, ergens. En er niet nog aan moeten beginnen, ooit. Misschien.

Elke Geurts

We zitten in een kringetje op lage campingstoeltjes in het nieuwe huis van M. Hij heeft me net met de fiets opgehaald van het station en me achter op de bagagedrager naar hier vervoerd. 


Zijn familie heeft de hele dag bij hem geschilderd, ik kom zijn huis bekijken en zal daar ook eventjes zijn vader en moeder treffen. In een heel ongedwongen situatie.
 

M. hangt in zijn stoeltje, wijdbeens, in zijn knalroze hoodie. Keurig rechtop zit ik naast hem - met mijn benen over elkaar, dan weer naast elkaar, over elkaar - en probeer af en toe zijn blik te peilen. Hij gaat steeds verder achterover hangen en stopt een hand chips in zijn mond. Een jaar of zestien schat ik ons. Hoogstens.
 

Op een omgekeerde latexemmer in het midden van de kring staat een bak paprikachips en gepeperde worst. Glaasjes wijn, blikjes bier. We praten over joggen. In de nieuwe buurt van M. schijnt enorm te worden gejogd. “Wordt er in jouw nieuwe buurt ook zo veel gejogd?” vraagt zijn moeder. “Jog jij?” vraagt zijn vader.

 

'Het is in deze context vrijwel ondenkbaar dat M. een vader zou zijn. En ik een moeder'

 

Ik zeg dat ik vroeger nogal veel jogde en dat ik binnenkort zeker weer wil gaan joggen. Morgen misschien al wel. Als het een beetje meezit. M’s ouders houden helemáál niet van joggen zeggen ze. Waarom joggen als je ook gewoon kunt lopen? Gezonder is het zeker niet. “O, nou, ik heb al meer dan een jaar niet gejogd”, zeg ik snel, “waarschijnlijk komt het er helemaal nooit meer van.”
 

Hierna begin ik over zwemmen. Dat ik de dag ervoor toevallig een uur lang baantjes heb getrokken. Dat dat voor het eerst in lange tijd was. Dat ik nogal van zwemmen hou. Misschien moet ik die sport weer oppakken nu er toch een zwembad in mijn buurt is. “Ik haat zwemmen”, zegt M.
 

Het onderwerp komt op klussen. De kamers van M.’s kinderen moeten wel op orde zijn voor zijn verhuizing. Kinderen. Het is in deze context vrijwel ondenkbaar dat er kinderen bestaan. Dat M. een vader zou zijn. Ik een moeder. Dat we al lang een serieus leven hébben, ergens. En er niet nog aan moeten beginnen, ooit. Misschien. Als we weten wat we willen worden.
 

“Ben jij handig?” vraagt zijn vader. “Totaal niet”, zeg ik. “Nou ze ís wel handig”, zegt M. snel, “maar ze is daar gewoon niet in geïnteresseerd, toch?” “Kun je boren?” vraagt zijn vader. “Nee”, glimlach ik.

 

Schrijfster Elke Geurts beschrijft elke week in Trouw hoe een scheiding een leven omver kan halen. Elkes roman heet Ik nog wel van jou. Luister ook onze podcast met Elke.


Gepost in: faits divers op 2019-01-14

Door Elke Geurts

Deze column is eerder gepubliceerd in Trouw. De roman Ik nog wel van jou verscheen onlangs bij Lebowski.


Ook van Elke Geurts

Waarom laat mijn dertienjarige dochter zich uitschelden door wildvreemden?

De dertienjarige en ik hangen op de bank in onze badjassen. We zijn allebei druk op onze telefoons bezig. Ik heb haar al een paar keer gemaand dat ding - nu onmiddellijk - weg te leggen. Ze moet naar bed. Maar steeds is er weer iemand bezig een comment bij haar foto te typen.


‘Jullie willen allebei de leukste ouder zijn’, zei ze

In de gang van de school stond ik en keek door het raam van combinatiegroep 3/4/5 naar mijn achtjarige. Ze kletste met klasgenootjes. Ze had heel rode wangen van de fietstocht door de vrieskou. Ook de randjes van haar oren waren vuurrood.




recente posts