Boekenweek special: Philip K. Dick

Boekenweek special: Philip K. Dick

Philip K. Dick

Boekenweek! Terwijl de rest van het land zich braaf aan het thema ‘natuur’ houdt, doet Lebowski er een schepje bovenop: wij gaan op zoek naar het bovennatuurlijke. Vandaag publiceren we een SNEAK PEEK uit Elektrische Dromen van Philip K. Dick, dat in juni verschijnt. In Het vaderding wordt de vraag gesteld wat het eigenlijk betekent om mens te zijn, in een wereld waar we worden vervangen door replica's.

 

Het vaderding

 

‘Het eten is klaar,’ zei mevrouw Walton op gebiedende toon. ‘Ga je vader halen en zeg tegen hem dat hij z’n handen moet wassen. Hetzelfde geldt voor jou, jongeman.’ Ze droeg een dampende braadpan naar de keurig gedekte tafel. ‘Hij is buiten in de garage.’
    Charles aarzelde. Hij was nog maar acht jaar oud en het probleem dat hem dwarszat zou zelfs Hillel in verwarring hebben gebracht. ‘Ik...’ begon hij onzeker.
     ‘Wat is er aan de hand?’ June Walton hoorde de angstige toon in de stem van haar zoon en haar volle boezem trilde van plotselinge ongerustheid. ‘Is Ted niet in de garage? Hij was verdorie een minuut geleden nog de heggenschaar aan het slijpen. Hij is toch niet naar de Andersons gegaan? Ik heb tegen hem gezegd dat het eten bijna op tafel stond.     ‘Hij is in de garage,’ zei Charles. ‘Maar hij... hij praat in zichzelf.’
    ‘Praat in zichzelf?’ Mevrouw Walton deed haar felgekleurde plastic schort af en hing het aan de deurknop. ‘Ted? Nou ja zeg, hij praat nooit in zichzelf. Ga tegen hem zeggen dat hij hier moet komen.’ Ze schonk kokende zwarte koffie in de blauw-witte porseleinen kopjes en begon maïspuree op te scheppen. ‘Wat mankeert je? Ga het hem zeggen!’
    ‘Ik weet niet tegen wie van hen ik het moet zeggen,’ flapte Charles er wanhopig uit. ‘Ze lijken sprekend op elkaar.’
    De vingers van June Walton verloren hun grip op de aluminium pan; even klotste de maïspuree gevaarlijk. ‘Jongeman...’ begon ze boos, maar op dat moment beende Ted Walton de keuken in; hij snoof de lucht op en wreef zich in de handen.
    ‘Ah,’ riep hij verheugd. ‘Lamsstoofpot.’
    ‘Runderstoofpot,’ mompelde June. ‘Ted, wat was je daar aan het doen?’
    Ted plofte neer op zijn plek en vouwde zijn servet open. ‘Ik heb de heggenschaar vlijmscherp geslepen. Geolied en geslepen. Kan ’m maar beter niet aanraken – hij snijdt je hand eraf.’ Hij was een knappe man van begin dertig; dik blond haar, sterke armen, vaardige handen, vierkant gezicht en schitterende bruine ogen. ‘Tsjonge, die stoofpot ziet er goed uit. Zware dag op kantoor – vrijdag, hè? ’t Werk stapelt zich op en we moeten voor vijven alle facturen de deur uit hebben. Al McKinley beweert dat de afdeling twintig procent meer werk zou kunnen verzetten als onze lunchpauzes anders werden ingedeeld; hij heeft ze gespreid zodat er altijd iemand op kantoor is.’ Hij wenkte Charles. ‘Ga zitten, dan kunnen we beginnen.’
    Mevrouw Walton diende de diepvrieserwten op. ‘Ted,’ zei ze, terwijl ze langzaam ging zitten, ‘zit je ergens mee?’
    ‘Of ik ergens mee zit?’ Hij knipperde met zijn ogen. ‘Nee, niks bijzonders. Gewoon de gebruikelijke sores. Hoezo?’
    June Walton wierp een ongemakkelijke blik op haar zoon. Charles zat kaarsrecht op zijn plek, zijn gezicht uitdrukkingsloos, krijtwit. Hij had zich niet bewogen, zijn servet niet opengevouwen en zijn melk nog niet eens aangeroerd. Er hing een spanning in de lucht; hij voelde het. Charles had zijn stoel van die van zijn vader vandaan getrokken; hij zat zo ver mogelijk van zijn vader in een strak bundeltje ineengedoken. Zijn lippen bewogen, maar ze kon niet verstaan wat hij zei.
    ‘Wat is er?’ vroeg ze, en ze boog zich naar hem toe.
    ‘De andere,’ mompelde Charles fluisterend. ‘De andere is binnengekomen.'
    ‘Wat bedoel je, schat?’ vroeg June Walton hardop. ‘Welke andere?’
    Ted schokte. Een vreemde uitdrukking vloog over zijn gezicht. Die verdween meteen weer; maar in dat korte ogenblik verloor het gezicht van Ted Walton alle vertrouwdheid. Iets vreemds en kils scheen er doorheen, een kronkelende, wriemelende massa. De ogen vertroebelden en weken terug, terwijl ze met een archaïsche glans werden bedekt. De gewone uitdrukking van een vermoeide echtgenoot van middelbare leeftijd was verdwenen.
    En toen was die terug – of bijna terug. Ted grijnsde en begon zijn stoofpot, diepvrieserwten en maïspuree naar binnen te schrokken. Hij lachte, roerde in zijn koffie, maakte grapjes en at. Maar er was iets vreselijk mis.
    ‘De andere,’ mompelde Charles; hij was lijkbleek, zijn handen begonnen te trillen. Ineens sprong hij op en liep achteruit van de tafel vandaan. ‘Maak dat je wegkomt!’ schreeuwde hij. ‘Wegwezen!’
    ‘Hé,’ gromde Ted onheilspellend. ‘Wat bezielt je?’ Hij wees streng naar de stoel van de jongen. ‘Ga daar zitten en eet je bord leeg, jongeman. Je moeder heeft het eten niet voor niks klaargemaakt.’
    Charles draaide zich om en rende de keuken uit, de trap op naar zijn kamer. June Walton hapte naar adem en trilde van ontzetting. ‘Wat is er in godsnaam...'
    Ted at door. Zijn gezicht stond grimmig; hij had een harde, donkere blik in zijn ogen. ‘Dat joch,’ kraste hij, ‘zal een paar dingen moeten leren. Misschien moeten hij en ik eens een kleine bespreking onder vier ogen hebben.’
    Charles dook ineen, zijn oren gespitst.
    Het vaderding kwam de trap op, steeds dichterbij. ‘Charles!’ schreeuwde het boos. ‘Ben je daarboven?’
    Hij antwoordde niet. Geruisloos trok hij zich terug in zijn kamer en deed de deur dicht. Zijn hart bonkte hevig. Het vaderding had de overloop bereikt; nog even en het zou zijn kamer binnenkomen.
    Hij haastte zich naar het raam. Doodsbang was hij; in de donkere gang was het vaderding al naar de deurknop aan het tasten. Hij trok het raam omhoog en klom naar buiten, het dak op. Met een grom liet hij zich vallen in de bloementuin bij de voordeur, wankelde hijgend, sprong overeind en rende weg van het licht dat uit het raam stroomde, een geel vlak in de duisternis van de avond.
    Hij kwam bij de garage, die als een zwart vierkant tegen de horizon voor hem opdoemde. Gejaagd ademend tastte hij in zijn zak naar zijn zaklantaarn, schoof behoedzaam de deur omhoog en ging naar binnen.
    De garage was leeg. De auto stond buiten voor het huis geparkeerd. Links was zijn vaders werkbank. Hamers en zagen aan de houten wanden. Achterin stonden de grasmaaier, hark, schop, schoffel. Een blik petroleum. Overal nummerborden aan de wanden gespijkerd. De vloer bestond uit beton en zand; een grote olievlek in het midden, toefjes onkruid vettig en zwart in de flakkerende lichtbundel van de zaklantaarn.
    Vlak bij de deur stond een grote vuilnisbak. Bovenop lagen stapels doorweekte kranten en tijdschriften, schimmelig en vochtig. Een zware stank van rotting steeg eruit op toen Charles ze aan de kant schoof. Spinnen vielen op het beton en snelden weg; hij trapte ze dood en zocht verder.
    Hij gilde toen hij het zag, liet de zaklantaarn vallen en sprong wild achteruit. De garage werd meteen ondergedompeld in duisternis. Hij dwong zichzelf te knielen en tastte een eindeloos ogenblik tussen de spinnen en het vettige onkruid naar de lantaarn. Eindelijk had hij hem weer. Hij slaagde erin de lichtbundel in de vuilnisbak te richten, in de holte die hij had gemaakt door de stapels tijdschriften opzij te duwen.
    Het vaderding had het helemaal op de bodem van de vuilnisbak gestopt. Tussen de oude bladeren en het verscheurde karton, de rottende resten van tijdschriften en gordijnen, troep van de zolder die zijn moeder hiernaartoe had gesleept met de gedachte die ooit te verbranden. Het zag er nog steeds een beetje uit als zijn vader, genoeg om herkenbaar voor hem te zijn. Hij had het gevonden – en de aanblik maakte hem misselijk. Hij klampte zich aan de vuilnisbak vast en deed zijn ogen dicht tot hij eindelijk in staat was opnieuw te kijken. In de bak lagen de overblijfselen van zijn vader, zijn echte vader. Stukken die het vaderding niet kon gebruiken. Stukken die het had weggegooid.
    Hij pakte de hark en duwde hem erin om in de overblijfselen te porren. Ze waren droog. Toen hij ze raakte met de hark, knisperden en braken ze. Ze leken op een afgeworpen slangenhuid, schilferig en kruimelig, ze ritselden als hij ze raakte. Een lege huid. Het inwendige was verdwenen. Het deel dat telde. Dit was alles wat er nog van over was, alleen maar deze broze, knisperende huid, in een hoopje op de bodem van de vuilnisbak gepropt. Dit was alles wat het vaderding had overgelaten; de rest had het opgegeten. Het had het inwendige ingelijfd – en zijn vaders plaats ingenomen.
    Een geluid.
    Hij liet de hark vallen en snelde naar de deur. Het vaderding kwam het pad af, naar de garage toe. De schoenen ervan knerpten over het grind; onzeker zocht het op de tast zijn weg. ‘Charles!’ riep het boos. ‘Ben je daarbinnen? Wacht maar tot ik je te pakken krijg, jongeman!’
    Zijn moeders gezette, nerveuze gedaante tekende zich af in de verlichte deuropening van het huis. ‘Ted, doe hem alsjeblieft geen pijn. Hij is helemaal van streek over iets.’
    ‘Ik doe hem geen pijn,’ zei het vaderding met raspende stem; het bleef staan om een lucifer af te strijken. ‘Ik ga alleen even een gesprekje met hem voeren. Hij moet betere manieren leren. Zomaar van tafel weglopen en ’s avonds naar buiten rennen, het dak af klimmen...’
Charles glipte de garage uit; het schijnsel van de lucifer ving zijn bewegende gestalte, en met een brul sprong het vaderding naar voren.
    ‘Kom hier!’
    Charles rende. Hij kende het terrein beter dan het vaderding; dat wist weliswaar veel, had zich een heleboel eigengemaakt toen het het inwendige van zijn vader kreeg, maar niemand kende het zoals híj het kende. Hij kwam bij het hek, klom erop, sprong in de tuin van de familie Anderson, spurtte langs hun waslijn, het pad af langs hun huis, Maple Street op.
    Ineengedoken, zonder te ademen luisterde hij. Het vaderding was hem niet achterna gekomen. Het was teruggegaan. Of het kwam via het trottoir.
    Hij haalde diep, huiverend adem. Hij moest in beweging blijven. Vroeg of laat zou het hem vinden. Hij keek maar rechts en naar links, vergewiste zich ervan dat het hem niet zag, en nam toen de benen in een snelle draf.

‘Wat wil je?’ vroeg Tony Peretti agressief. Tony was veertien. Hij zat aan tafel in de met eikenhout gelambriseerde eetkamer, boeken en potloden om hem heen verspreid, een half broodje ham-pindakaas en een cola naast hem. ‘Jij bent Walton, hè?’
    Tony Peretti had na schooltijd een baantje bij Johnson’s Huishoudelijke Apparaten in de stad; hij moest fornuizen en koelkasten uit de verpakking halen. Hij was groot en had een onbehouwen gezicht. Zwart haar, olijfkleurige huid, witte tanden. Hij had Charles een paar keer in elkaar geslagen; hij had ieder kind in de buurt in elkaar geslagen.
    Charles draaide ongemakkelijk heen en weer. ‘Zeg, Peretti. Wil je iets voor me doen?’
    ‘Wat wil je?’ Peretti was geïrriteerd. ‘Ben je op zoek naar een blauwe plek?’
    Met ellendig neergeslagen ogen en gebalde vuisten legde Charles in korte, gemompelde zinnen uit wat er was gebeurd.
    Toen hij was uitgesproken, floot Peretti zachtjes tussen zijn tanden. ‘Dat meen je niet.’
    ‘Echt waar.’ Hij knikte snel. ‘Ik zal het je laten zien. Kom mee, dan laat ik het je zien.’
    Peretti stond langzaam op. ‘Welja, laat me maar zien. Ik wil het zien.’
    Hij haalde zijn luchtbuks van zijn kamer en ze liepen samen zwijgend door de donkere straat naar het huis van Charles. Geen van beiden zei veel. Peretti was diep in gedachten, ernstig en zijn gezicht stond strak. Charles was nog steeds ontsteld; zijn hoofd was helemaal leeg.
    Ze sloegen de oprit van de familie Anderson in, renden door de achtertuin, klommen op het hek en lieten zich voorzichtig in de achtertuin van Charles glijden. Er was geen beweging. Het was stil in de tuin. De voordeur van het huis was dicht.
    Ze tuurden door het raam van de woonkamer. De rolgordijnen waren neergelaten, maar door een smalle spleet stroomde geel licht naar buiten. Op de bank zat mevrouw Walton een katoenen T-shirt te naaien. Ze had een droeve, gekwelde uitdrukking op haar grote gezicht. Ze werkte lusteloos, ongeïnteresseerd. Tegenover haar zat het vaderding. Het zat achterovergeleund, schoenen uit, in zijn vaders luie stoel de avondkrant te lezen. De tv stond aan in de hoek. Op de leuning van de luie stoel stond een blikje bier. Het vaderding zat precies zoals zijn vader had gezeten; het had een heleboel geleerd.
    ‘Lijkt sprekend op hem,’ fluisterde Peretti argwanend. ‘Weet je zeker dat je me niet in de zeik neemt?’
    Charles ging hem voor naar de garage en liet hem de vuilnisbak zien. Peretti stak zijn lange, gebruinde armen erin en trok voorzichtig de droge, schilferige overblijfselen omhoog. Ze spreidden zich uit, ontvouwden zich, tot de hele gestalte van zijn vader zich aftekende. Peretti legde de overblijfselen op de grond en voegde kapotte delen weer samen. De overblijfselen waren kleurloos. Bijna doorzichtig. Een amberkleurig geel, dun als papier. Droog en volkomen levenloos.
    ‘Dat is alles,’ zei Charles. Er welden tranen op in zijn ogen. ‘Dat is alles wat er van hem over is. Het ding heeft het inwendige.’
    Peretti was bleek geworden. Trillerig propte hij de overblijfselen terug in de vuilnisbak. ‘Da’s niet kinderachtig,’ mompelde hij. ‘Je zegt dat je ze allebei samen hebt gezien?’
    ‘Ze stonden te praten. Ze leken sprekend op elkaar. Ik rende het huis in.’ Charles veegde de tranen weg en snufte; hij kon het niet langer voor zich houden. ‘Het at hem op terwijl ik binnen was. Toen kwam het het huis in. Het deed alsof het hem was. Maar dat is niet zo. Het heeft hem gedood en zijn inwendige opgegeten.’
    Peretti was even stil. ‘Ik zal je wat vertellen,’ zei hij plotseling. ‘Ik heb over zoiets gehoord. ’t Is een akelige toestand. Je moet je kop gebruiken en niet bang worden. Je bent toch niet bang?’
    ‘Nee,’ wist Charles te mompelen.
    ‘Het eerste wat ons te doen staat is bedenken hoe we het moeten doden.’ Hij rammelde met zijn luchtbuks. ‘Ik weet niet of ik hier iets mee kan. Het zal wel behoorlijk lastig zijn om je vader te pakken te krijgen. Hij was een grote man.’ Peretti dacht even na. ‘Laten we maken dat we hier wegkomen. Het zou terug kunnen komen. Ze zeggen dat een moordenaar dat doet.’
    Ze liepen de garage uit. Peretti hurkte neer en gluurde weer door het raam. Mevrouw Walton was opgestaan. Ze praatte bezorgd. Er drongen buiten vage geluiden door. Het vaderding gooide zijn krant neer. Ze kibbelden.
    ‘Doe in godsnaam niet zoiets stoms!’ schreeuwde het vaderding.
    ‘Er is iets aan de hand,’ kreunde mevrouw Walton. ‘Iets vreselijks. Laat me gewoon het ziekenhuis bellen en dan zien we wel.’
    ‘Je belt niemand. Er is niks aan de hand met hem. Hij speelt waarschijnlijk op straat.
    ‘Hij is nooit zo laat buiten. Hij is nooit ongehoorzaam. Totaal overstuur was hij – bang voor jou! Ik neem het hem niet kwalijk.’ Haar stem brak van ellende. ‘Wat is er met jou aan de hand? Je bent zo vreemd.’ Ze liep de kamer uit, de gang op. ‘Ik ga een paar buren bellen.'

Het vaderding keek haar woest na tot ze was verdwenen. Toen gebeurde er iets verschrikkelijks. Charles’ adem stokte; zelfs Peretti gromde zachtjes.
    ‘Kijk,’ mompelde Charles. ‘Wat...’
    ‘Allemachtig,’ zei Peretti met grote zwarte ogen.
    Zodra mevrouw Walton de kamer uit was, zakte het vaderding in zijn stoel. Het werd slap. De mond ervan viel open. De ogen staarden in het niets. Het hoofd viel voorover, als bij een weggegooide lappenpop.
    Peretti liep bij het raam vandaan. ‘Dat is het,’ fluisterde hij. ‘Dat is de hele kwestie.’
    ‘Wat is het?’ wilde Charles weten. Hij was geschokt en verbijsterd. ‘Het leek wel alsof iemand het uitzette.’
    ‘Precies.’ Peretti knikte langzaam, met een strak, ontdaan gezicht. ‘Het wordt van buitenaf bestuurd.’
    Ontzetting overmande Charles. ‘Iets buiten onze wereld, bedoel je?’
    Peretti schudde vol weerzin zijn hoofd. ‘Buiten het huis! In de tuin. Kun je goed zoeken?'
    ‘Niet heel goed.’ Charles vermande zich. ‘Maar ik ken wel iemand die goed kan zoeken.’ Hij groef in zijn geheugen naar de naam. ‘Bobby Daniels.’
    ‘Dat zwarte jochie? Kan hij goed zoeken?’
    ‘Hij is de beste.’
    ‘Oké,’ zei Peretti. ‘Dan gaan we hem halen. We moeten het ding vinden dat buiten is. De maker van hét daarbinnen, die het bestuurt...’

‘Het is bij de garage,’ zei Peretti tegen de kleine zwarte jongen met een mager gezicht die naast hem in de duisternis hurkte. ‘Toen het hem te pakken kreeg, was hij in de garage. Dus ga daar maar zoeken.’
    ‘In de garage?’ vroeg Daniels.
    ‘Rónd de garage. Walton is al naar de garage gegaan, naar binnen. Zoek jij maar buiten, rondom. Vlakbij.’
    Er lag een klein bloembed naast de garage, en tussen de garage en de achterkant van het huis stond bamboe die een grote, warrige massa vormde met puin. De maan was tevoorschijn gekomen; er viel een koud, mistig, gefilterd licht over alles. ‘Als we ’t niet behoorlijk snel vinden,’ zei Daniels, ‘moet ik naar huis. Ik mag niet veel langer opblijven.’ Hij was niet ouder dan Charles. Misschien negen.
    ‘Oké,’ stemde Peretti in. ‘Ga dan maar zoeken.’
    De drie jongens verspreidden zich en begonnen het terrein zorgvuldig af te speuren. Daniels werkte ongelooflijk snel; zijn magere, kleine lichaam werd een en al beweging terwijl hij tussen de bloemen kroop, stenen omdraaide, onder het huis tuurde, stengels van planten uit elkaar haalde, zijn bedreven handen over bladeren en stelen, door kluwens van compost en onkruid liet gaan. Geen centimeter ontsnapte aan zijn aandacht.
    Peretti stopte na een poosje. ‘Ik ga op wacht staan. Het kan weleens gevaarlijk zijn. Het vaderding kan komen om te proberen ons tegen te houden.’ Hij posteerde zich met zijn luchtbuks op het achterstoepje terwijl Charles en Bobby Daniels doorgingen met zoeken. Charles werkte langzaam. Hij was moe en zijn lichaam was koud en gevoelloos. Het leek onmogelijk, het vaderding en wat er met zijn eigen vader, zijn echte vader was gebeurd. Maar hij werd door angst gedreven; wat als het met zijn moeder gebeurde, of met hem? Of met iedereen? Misschien de hele wereld.
    ‘Ik heb het gevonden!’ riep Daniels met een ijle, hoge stem. ‘Kom gauw hierheen!’
    Peretti hief zijn buks en stond behoedzaam op. Charles rende ernaartoe; hij richtte de flakkerende gele lichtbundel van zijn zaklantaarn op de plek waar Daniels stond.
    De zwarte jongen had een betonnen steen opgetild. In de vochtige, rottende aarde scheen het licht op een metaalachtig voorwerp. Een dun, geleed wezen met ellenlange kromme poten was verwoed aan het graven. Gepantserd, als een mier; een roodbruin insect dat snel voor hun ogen verdween. Zijn rijen poten wroetten en grepen. De grond eronder zakte snel in. De vervaarlijk uitziende staart draaide woest heen en weer terwijl het insect zich door de gang wurmde die hij had gegraven.
    Peretti rende de garage in en pakte de hark. Hij hield daarmee de staart van het insect in bedwang. ‘Snel! Schiet hem dood met de luchtbuks!’
    Daniels greep de buks en legde aan. Het eerste schot scheurde de staart van het insect los. Hij kronkelde en draaide razend; zijn staart sleepte nutteloos en een paar van zijn poten braken af. Hij was zo’n dertig centimeter lang, als een enorme duizendpoot. Hij probeerde uit alle macht in zijn hol te ontsnappen.
    ‘Nog een schot,’ beval Peretti.
    Daniel morrelde aan de buks. Het insect glibberde en siste. Zijn kop schokte heen en weer; hij draaide en hapte naar de hark die hem in bedwang hield. Zijn kwaadaardige stipjes van ogen glommen van haat. Even haalde hij vergeefs uit naar de hark; toen begon hij plotseling, van het ene op het andere moment, te spartelen in een razende stuiptrekking die hen alle drie deed terugdeinzen.
    Er zoemde iets door Charles’ hersenen. Een luid gegons, metalig en scherp, een miljard metalen draden die tegelijkertijd dansten en trilden. De kracht ervan slingerde hem heftig heen en weer; het dreunende geraas van metaal maakte hem doof en verward. Hij stond struikelend op en week achteruit; de anderen deden hetzelfde, bleek en geschokt.
    ‘Als we hem niet met de buks kunnen doden,’ zei Peretti hijgend, ‘kunnen we hem verdrinken. Of verbranden. Of een pin door z’n hersens steken.’ Hij spande zich tot het uiterste in om de hark in zijn handen te klemmen, om het insect in bedwang te houden.
    ‘Ik heb een pot formaldehyde,’ mompelde Daniels. Zijn vingers morrelden nerveus aan de luchtbuks. ‘Hoe werkt dit ding? Het lijkt wel alsof het me niet lukt...’ Charles griste de buks uit zijn handen. ‘Ik dood hem wel.’ Hij hurkte neer met een oog bij het vizier en greep de trekker vast. Het insect zwiepte en spartelde. Het krachtveld ervan beukte in zijn oren, maar hij liet het geweer niet los. Zijn wijsvinger spande zich...
    ‘Oké, Charles,’ zei het vaderding. Krachtige vingers grepen hem vast, een verlammende druk om zijn polsen. Terwijl hij zich vergeefs verzette, viel de buks op de grond. Het vaderding gaf Peretti een duw. De jongen sprong weg en het insect, niet meer belemmerd door de hark, glipte triomfantelijk zijn gang in.
    ‘Er staat je een pak slaag te wachten, Charles,’ vervolgde het vaderding op dreunende toon. ‘Wat bezielt je? Je arme moeder is gek van bezorgdheid.’

Het had daar verscholen in het donker gezeten. Ineengehurkt in de duisternis had het naar hem zitten kijken. De kalme, emotieloze stem ervan, een afschuwelijke parodie op die van zijn vader, gromde vlak bij zijn oor terwijl het hem meedogenloos naar de garage trok. De koude adem ervan blies in zijn gezicht, een ijzig-zoete geur, als rottende aarde. De kracht ervan was immens; hij kon niets beginnen.
    ‘Verzet je maar niet,’ zei het rustig. ‘Kom maar mee naar de garage. Dit is voor je eigen bestwil. Dat weet ik het best, Charles.’
    ‘Heb je hem gevonden?’ riep zijn moeder bezorgd terwijl ze de achterdeur opende.
    ‘Ja, ik heb hem gevonden.’
    ‘Wat ga je doen?'
    ‘Hem een pak voor z’n broek geven.’ Het vaderding trok de garagedeur omhoog. ‘In de garage.’ In het schemerlicht speelde een flauwe glimlach om zijn lippen, humorloos en zonder enige emotie. ‘Ga jij maar terug naar de woonkamer, June. Ik handel dit wel af. Dit is meer mijn afdeling. Jij hebt het nooit leuk gevonden hem te straffen.’
    De achterdeur ging met tegenzin dicht. Toen het licht wegviel, boog Peretti voorover en tastte naar de luchtbuks. Het vaderding verstarde onmiddellijk.
    ‘Ga naar huis, jongens,’ kraste het.
    Peretti bleef besluiteloos staan en greep de luchtbuks vast.
    ‘Wegwezen,’ herhaalde het vaderding. ‘Leg dat speelgoed neer en maak dat je wegkomt.’ Het kwam langzaam naar Peretti toe, hield Charles met één hand vast en stak de andere uit naar Peretti. ‘Luchtbuksen zijn hier in de stad niet toegestaan, jochie. Weet je vader dat je die hebt? Er is een gemeentelijke verordening. Ik denk dat je hem beter aan mij kunt geven voordat...’
    Peretti schoot het in het oog.
    Het vaderding gromde en klauwde naar zijn verwoeste oog. Plotseling haalde het uit naar Peretti. Peretti liep weg over de oprijlaan en probeerde de haan van de buks te spannen. Het vaderding viel naar hem uit. De krachtige vingers ervan gristen de buks uit Peretti’s handen. Zwijgend smeet het vaderding de buks tegen de muur van het huis.
    Charles ontsnapte en rende verbijsterd weg. Waar kon hij zich verstoppen? Het vaderding bevond zich tussen hem en het huis. Het kwam al terug in zijn richting, een zwarte gedaante die voorzichtig kroop, de duisternis in tuurde, hem probeerde te ontwaren. Charles trok zich terug. Was er maar een plek waar hij zich kon verstoppen...
    De bamboe.
    Snel kroop hij de bamboe in. De stengels waren reusachtig en oud. Met een zacht geritsel sloten ze zich achter hem. Het vaderding grabbelde in zijn zak; het stak een lucifer aan en toen vlamde het hele pakje op. ‘Charles,’ zei het. ‘Ik weet dat je hier ergens bent. Het heeft geen zin je te verstoppen. Je maakt het alleen maar moeilijker.’
    Met bonkend hart dook Charles ineen tussen de bamboe. Hier lag troep en vuil te rotten. Onkruid, afval, kranten, dozen, oude kleren, planken, blikken, flessen. Spinnen en salamanders wriemelden om hem heen. De bamboe wiegde in de avondwind. Insecten en vuil.
    En iets anders.
    Een gedaante, een stille, roerloze gedaante die uit de berg vuil groeide als een of andere nachtelijke paddenstoel. Een witte zuil, een moesachtige massa die vochtig glinsterde in het maanlicht. Het wezen was bedekt met webben, een schimmelige cocon. Het had vage armen en benen. Een schimmig halfgevormd hoofd. De gelaatstrekken hadden zich nog niet ontwikkeld. Maar Charles zag wat het was.
    Een moederding. Het groeide daar in het vuil en de vochtigheid, tussen de garage en het huis. Achter de hoog oprijzende bamboe.
    Het was bijna af. Over een paar dagen zou het volgroeid zijn. Het was nog een larve; wit, zacht en moesachtig. Maar de zon zou het drogen en verwarmen. Het pantser ervan verharden. Het donker en sterk maken. Het zou uit de cocon komen en op een dag, als zijn moeder bij de garage zou komen... Achter het moederding lagen andere moesachtige witte larven, pas gelegd door het insect. Klein. Nog maar net op de wereld. Hij zag waar het vaderding was afgebroken; de plek waar het was gegroeid. Het was hier volwassen geworden. En in de garage was zijn vader het tegengekomen.
    Verbijsterd begon Charles weg te lopen, langs de rottende planken, het vuil en de rotzooi, de moesachtige paddenstoellarven. Krachteloos strekte hij zijn hand om het hek vast te pakken – en klauterde terug.
    Nog een. Nog een larve. Deze had hij eerst niet gezien. Deze was niet wit. Het ding was al donker geworden. Het web, de moesachtige zachtheid, de vochtigheid, waren verdwenen. Het was af. Het verroerde zich een beetje, maakte zwakke bewegingen met zijn arm.
    Het Charlesding.
    De bamboe week uiteen en de hand van het vaderding klemde zich stevig om de pols van de jongen. ‘Jij blijft hier,’ zei het. ‘Dit is precies de plek voor jou. Verroer je niet.’ Met zijn andere hand trok het aan de overblijfselen van de cocon waarin het Charlesding was gewikkeld. ‘Ik help het eruit – het is nog een beetje zwak.’
    Het laatste vochtige grijze draadje werd afgestroopt en het Charlesding waggelde naar buiten. Het strompelde onzeker terwijl het vaderding er een pad voor vrijmaakte in de richting van Charles.
    ‘Deze kant op,’ gromde het vaderding. ‘Ik hou hem wel voor je vast. Als je je hebt gevoed, ben je sterker.’
    De mond van het Charlesding ging open en dicht. Het hapte gulzig naar Charles. De jongen verzette zich hevig, maar de enorme hand van het vaderding drukte hem neer.
    ‘Hou daarmee op, jongeman,’ beval het vaderding. ‘Het zal veel makkelijker voor je zijn als je...'
    Het vaderding schreeuwde en stuiptrekte. Het liet Charles los en wankelde achteruit. Het trilde hevig. Het knalde met schokkende ledematen tegen de garage. Even rolde en spartelde het in een dodendans. Het jammerde, kreunde, probeerde terug te kruipen. Langzamerhand verstomde het. Het Charlesding ging liggen in een stil hoopje. Het lag wezenloos tussen de bamboe en het rottende afval, het lichaam slap, het gezicht leeg en uitdrukkingsloos.
    Ten slotte bewoog het vaderding niet meer. Er was alleen nog het zwakke geritsel van de bamboe in de avondwind.
    Charles kwam moeizaam overeind. Hij liep de cementen oprit op. Peretti en Daniels kwamen naar hem toe, met grote ogen en behoedzaam. ‘Kom er niet bij in de buurt,’ beval Daniels scherp. ‘’t Is nog niet dood. Dat duurt effe.’
    ‘Wat heb je gedaan?’ mompelde Charles.
    Met een zucht van opluchting zette Daniels het blik petroleum neer. ‘Heb dit in de garage gevonden. Wij van Daniels gebruikten in Virginia altijd petroleum voor onze muggen.’
    ‘Daniels heeft de petroleum in de gang van het insect gegoten,’ legde Perotti uit, nog steeds vol ontzag. ‘Het was zijn idee.’
    Daniels schopte voorzichtig tegen het verwrongen lichaam van het vaderding. ‘’t Is dood nu. Stierf zodra het insect doodging.’
    ‘Volgens mij gaat die andere ook dood,’ zei Peretti. Hij duwde de bamboe opzij om de larven te onderzoeken die hier en daar tussen de rotzooi groeiden. Het Charlesding bewoog helemaal niet toen Peretti het uiteinde van een stok in zijn borst stak. ‘Die is dood.’
    ‘Dat moeten we wel zeker weten,’ zei Daniels grimmig. Hij pakte het zware blik petroleum en sleepte het naar de rand van de bamboe. ‘Het heeft een paar lucifers op de oprit laten vallen. Pak jij die maar, Peretti.'
    Ze keken elkaar aan.
    ‘Tuurlijk,’ zei Peretti zacht.
    ‘We moeten de tuinslang maar aanzetten,’ zei Charles. ‘Om ervoor te zorgen dat het zich niet verspreidt.’
    ‘Kom, we gaan,’ zei Peretti ongeduldig. Hij was al op weg. Charles liep snel achter hem aan en ze begonnen in de maanverlichte duisternis naar de lucifers te zoeken.

 

 


Gepost in: current affairs op 2018-03-14

Door Philip K. Dick


Ook van Philip K. Dick

Week van het korte verhaal (3) Philip K Dick

De Week van het Korte Verhaal start dit jaar op Valentijnsdag - hoe toepasselijk. Onze liefde voor dit genre uiten wij maar al te graag, met deze week vijf korte verhalen. De derde is 'Museumopstelling' van Philip K Dick, een SNEAK PEEK uit Elektrische Dromen, die in juni verschijnt.


De man in het hoge kasteel (voorpublicatie)

Vroeg in de ochtend deed Juliana Frink haar boodschappen. Ze liep, genietend van het koele, heldere weer met twee bruine papieren zakken langs de winkels en bleef telkens staan om in de etalages te kijken. Ze nam er de tijd voor.




recente posts