Arnon Grunberg: ‘Er zit iets schandaligs in de menselijke liefde’

Arnon Grunberg: ‘Er zit iets schandaligs in de menselijke liefde’

Arnon Grunberg

'Wie siddert niet bij de gedachte aan de rampen die uit een ongeoorloofde liefde kunnen voortvloeien!' Arnon Grunberg schreef een prachtige keynote over schade en schande, geïnspireerd op Abram de Swaans (gelijknamige) artikel uit 1995. Het is tegelijk de voordracht die hij bij de boekpresentatie van Bezette gebieden uitspreekt. 

Deze keynote verscheen eerder in Het Parool.

Een van de mooiste en indringendste beelden van wat een schandaal is en wat het doet met de geschandaliseerde én het publiek komt uit de film Dangerous Liaisons (1988) van Stephen Frears, gebaseerd op de brievenroman Les liaisons dangereuses van Choderlos de Laclos uit 1782. In de laatste scène van de film komt de markiezin van Merteuil, gespeeld door Glenn Close, de opera binnen. Het orkest stopt met inspelen, het publiek kijkt en masse zwijgend naar de markiezin op haar balkon. Dan begint een man boe te roepen en al gauw neemt het gehele publiek dit over, de hele opera roept boe, waarna de markiezin ietwat wankelend het theater verlaat en zich thuis afschminkt.

Het publiek, zonder welke er geen schandaal is, omarmt het openbare afschminken, het uitstoten, de aanleiding is eigenlijk bijzaak. Of in dit specifieke geval de markiezin haar lot verdient, doet er dan ook nauwelijks toe. Een min of meer eerlijk proces waarbij redelijke mensen schuld en straf proberen te wegen, gaat zoals bekend nooit aan een schandaal vooraf.

De manier waarop Frears de bestraffing, de vernedering, in beeld brengt doet de kijker eens te meer beseffen dat welke aanleiding er ook voor de represaille, de uitstoting, geweest mag zijn het uitstoten zelf ons toch zou moeten verleiden medelijden met de uitgestotene te hebben. Het lot van de markiezin van Merteuil is gruwelijk, ­eigenlijk is het lot van alle belangrijke personages gruwelijk.

In deze door Adriaan Morriën in het Nederlands vertaalde brievenroman staat in de laatste brief te lezen: ‘Wie siddert niet bij de gedachte aan de rampen die uit een ongeoorloofde liefde kunnen voortvloeien!’ Veelzeggend hoe onpersoonlijk en ietwat fatalistisch het hier geformuleerd staat, alsof de ongeoorloofde liefde een ­natuurramp is en de zeden die die liefde ongeoorloofd maken goddelijke wetten zijn.

*

De Laclos had bedoelingen met het zichtbaar maken en het ­beschrijven van de rampen die uit onbetamelijke hartstochten voortvloeien. In een voorwoord schrijft hij dat hij hoopt met dit boek ‘de zedelijkheid’ te bevorderen en ook meent hij dat het boek ten minste twee waarheden bevat, waarvan een luidt dat iedere vrouw die een ‘zedeloze man’ in haar gezelschap duldt vroeg of laat het slachtoffer van hem zal worden.

Enige ironie moeten we hier niet uitsluiten, maar zeker is dat De Laclos dit boek ook schreef om de perversie en de destructieve effecten van de verveelde en langzaam imploderende aristocratie aan te tonen, om de lezer te waarschuwen. Hoewel, zoals wel vaker, denk aan antioorlogsromans, de waarschuwingen kunnen uitpakken als verleidingen.

Kortom, het schandaal is belangrijker dan de liefde, anders ­gezegd, pas als de liefde in de mal van het schandaal kan worden gegoten, kan men er werkelijk van genieten.

*

De socioloog Abram de Swaan heeft in een lezing getiteld Schade en schande: over schandalen, uitgesproken tijdens een symposium over schuld en schaamte in 1994, gepubliceerd in een liber amicorum voor de psychiater Louis Tas inzichtelijk over dit fenomeen ­geschreven. ‘Een schandaal is een sociale strijd waarin de ene partij de andere tracht te beschadigen door hem in het openbaar te ­beschamen,’ noteerde De Swaan. Voor een schandaal is roem ­nodig, de geschandaliseerde moet enige bekendheid genieten, ­anders kan er van een schandaal geen sprake zijn, zoals de markiezin van Merteuil in de hogere sociale kringen waarin zij verkeerde ­beroemd was.

Volgens De Swaan bevrijdt het schandaal de omstaanders, het ­publiek, van een emotioneel dilemma, namelijk dat de bewondering die zij eerst jegens de beroemdheid voelden, omdat die goed kon voetballen, schrijven, mooi was of gewoon beroemd, per definitie instabiel is omdat die bewondering slechts ‘gedomesticeerde afgunst’ zou zijn. Het schandaal verlost het publiek van deze gedomesticeerde afgunst; godzijdank, er viel niets te bewonderen, hij of zij was net zo slecht als wij allemaal, maar omdat wij hem ten ­onrechte bewonderden, mogen we hem nu verachten.

Dat zeden altijd aan verandering onderhevig zijn, is duidelijk. Wat een paar decennia geleden een schandaal kon veroorzaken, zal nu amper worden opgemerkt. De Swaan refereert aan een val, voor de oorlog, van een hoge Nederlandse ambtenaar, vanwege homoseksualiteit aangevuld met ‘een snuifje antisemitisme’. Door homoseksualiteit alleen komt heden ten dage in Nederland geen ambtenaar meer ten val. Het moet ‘erger’ zijn dan dat.

Eind jaren tachtig was er eerst in Amsterdam en daarna ook in de rest van Nederland een schandaal rond Fassbinders toneelstuk Het vuil, de stad en de dood. Het was de laatste keer dat de Tweede Wereldoorlog, althans de directe nasleep ervan, zo veel emotie in Nederland veroorzaakte en we zouden kunnen zeggen dat met dit schandaal die oorlog, in Nederland althans, beëindigd werd. Het toneelstuk, over een rijke Joodse handelaar in onroerend goed in het naoorlogse Frankfurt am Main, zou volgens sommigen antisemitisch zijn en niet mogen worden opgevoerd.

De geschandaliseerde was aanvankelijk even de regisseur Johan Doesburg, van wie toen nog bijna niemand gehoord had – in uitzonderlijke gevallen kan de geschandaliseerde door het schandaal de status van beroemdheid krijgen – maar al snel kreeg de acteur Jules Croiset die rol toebedeeld. Croiset was door antisemieten ontvoerd in België, na zijn bevrijding echter bleek dat Croiset die ontvoering zelf in scène had gezet om te waarschuwen tegen opkomend antisemitisme.

In de tussentijd publiceerde Harry Mulisch nog een ingezonden brief in de Volkskrant waarin hij schreef dat het Fassbinder sierde dat die zelfmoord had gepleegd. Zo eindigde de Tweede Wereldoorlog in Nederland zoals die grotendeels was uitgevochten en vooral zoals die was verwerkt, klungelig en absurd, zonder werkelijke kennis van zaken en vooral zonder te spreken waarover gesproken zou moeten worden.

*

Het is mogelijk dat het Fassbinderschandaal een manier was voor het publiek om zich met overgave en vervuld van emoties nog één keer met die oorlog bezig te houden zonder zich werkelijk af te hoeven vragen wat er in die oorlog was gebeurd. Het schandaal kan ook een beschermings- en afleidingsmechanisme zijn, een vermoedelijk onbewuste poging iets anders aan het zicht te onttrekken. Zo is ook een gesprek over spermavlekken op de jurk van Monica Lewinsky makkelijker te voeren dan een conversatie over pakweg de hervorming van de Amerikaanse sociale zekerheid.

Dat nu, en ook al tien jaar geleden overigens, niemand meer ­begrijpt waarom men zich toen zo druk maakte om Fassbinder, zou ons kunnen doen inzien dat over afzienbare tijd onze huidige schandalen een soortgelijk lot wachten. Niets verjaart sneller dan het schandaal, want niets veroudert sneller dan de diepgewortelde morele overtuiging van het publiek. Het is alleen aan het slechte ­geheugen van dat publiek te danken dat het gelooft altijd al die overtuigingen gehad te hebben en altijd ook wel zal hebben.

Natuurlijk, in sommige orthodox-religieuze gemeenten, waar ­natuurlijk eveneens schandalen plaatsvinden met beschamingen en uitstotingen, is dat zo, daar is morele consistentie eerder regel dan uitzondering, hoewel ook daar verschuivingen zichtbaar zijn.

De Swaan stelt daarom terecht dat het schandaal het morele conflict en de morele normen van het moment weerspiegelt, en die zijn aan schommelingen onderhevig, om daaraan toe te voegen dat het schandaal het heftigst woedt in die gebieden ‘waar rechtsregels niet duidelijk in het geding zijn’. Oftewel, waar de rechterlijke macht zegt: Dit is geen zaak voor mij, en waar het publiek dus vrijwel ongehinderd aan eigenrichting kan doen.

*

Zelden gaat het schandaal om een echte misdaad, doorgaans is er sprake van ‘misdrijven’ tegen een betrekkelijk arbitraire norm. ­Tegenwoordig zien we zelfs pogingen de doden te schandaliseren. Zo zijn er serieuze discussies gevoerd over de vraag hoe en of Picasso in het museum tentoongesteld zou moeten worden gezien zijn gedragingen tegenover vrouwen; hij schijnt vrouwen slecht behandeld en geslagen te hebben.

Die gedragingen wil ik niet vergoelijken, maar de man is dood; in een biografie zou zeker ruimte moeten zijn voor de minder aangename kanten van de te beschrijven persoon, voor waardering van zijn kunst lijkt het me minder of niet relevant. Zoals de vaststelling dat Achterberg zijn hospita doodde interessant kan zijn voor begrip van zijn poëzie, maar het me dwaasheid lijkt te stellen dat wij niet meer zouden mogen genieten van Achterbergs werk omdat hij, voortgedreven door zijn demonen, een wandaad beging. Wie stelt dat alleen zij die moreel en onethisch onkreukbaar zijn zaken van waarde mogen produceren, zal de menselijke geschiedenis zo moeten zuiveren dat er weinig van overblijft.

Het is overigens vruchteloos gebleken politici te schandaliseren die zelf leven van het schandaal, die als schandaal groot zijn geworden en vooralsnog gebleven – van Trump via Johnson tot Wilders. In het schandaal ziet hun aanhang juist het bewijs dat de leider de juiste weg is ingeslagen. De FPÖ kreeg weliswaar in Oostenrijk een electorale klap na het Ibizaschandaal, waarbij bleek dat ten minste een deel van die partij bereid was het land te verkopen ten gunste van de partijkas en de eigen portemonnee, maar het is de vraag hoe langdurig de schade voor de FPÖ zal zijn.

De behoefte aan schandalen en openbare beschamingen is oud en diepgeworteld, maar betrekkelijk nieuw is de neiging deze behoefte te verpakken als daad van rechtvaardigheid, als onderdeel van een sociale strijd. Hadden wij niet de openbare vernedering en de schandpaal uit onze maatschappij verwijderd, omdat wij inzagen dat dit haaks staat op ons idee van rechtvaardigheid en hoopten zo te bewerkstelligen dat degene die een misstap beging na een straf zijn leven weer kon oppakken zonder gereduceerd te worden tot die misstap?

Het reductionisme in al zijn diverse verschijningsvormen is een al te menselijke en misschien wel onuitroeibare eigenaardigheid. ­Begin jaren zestig schreef Primo Levi aan zijn Duitse vertaler: ‘Ik kan niet begrijpen, niet verdragen dat men een mens beoordeelt niet naar wat hij is, maar naar de groep waar hij toevallig toe ­behoort.’

*

Iemand reduceren tot een grensoverschrijding die hij ooit heeft ­begaan is misschien net zo onverdraaglijk, net zo absoluut in het oordeel dat men over de ander velt: wie weten wie u echt bent.

Het overkomt de hoofdpersoon uit mijn laatste roman, Bezette ­gebieden, psychiater Kadoke die zich in de grijze zone van zijn vakgebied begeeft, wordt beschuldigd en veroordeeld op vrijwel hetzelfde moment, want ook dat is een kenmerk van het schandaal: de ­beschuldiging is het oordeel.

Anders dan bij de aristocratie uit de roman van De Laclos waren bij Kadoke niet de verveling en de voosheid van zijn klasse die hem tot roekeloosheid en hoogmoed dreven, maar andersoortige emotionele dwalingen, de resultaten zijn vrijwel identiek. De uitstoting, de val, de noodzaak voor wie desondanks wenst verder te leven zich opnieuw uit te vinden.

De aristocratie zag de overtredingen van de markiezin van Merteuil vermoedelijk als speltechnische, esthetische overtredingen, het ging om overtredingen die zij vrijwel allemaal begingen, zij het op kleinere schaal, en ongestraft. Hier en nu is het schandaal onderdeel van de sociale strijd geworden. Dat lijkt me een ineffectieve en onethische dwaling. Vernedering is de grond waarop de rancune en de bitterheid groeien, waar de behoefte blind terug te slaan een eerste levensbehoefte zal worden.

Rest de vraag waarom de liefde zo dikwijls het ruwe materiaal is waaruit het schandaal wordt geschapen. Er zit iets schandaligs in de menselijke liefde. Om te beginnen in onze seksualiteit, waarbij ik het me veroorloof de liefde en de seksualiteit even niet al te zeer van elkaar te scheiden. Ondanks pogingen die seksualiteit op te vatten als een frisse en vrolijke aangelegenheid waar altijd openhartig over kan worden gepraat, beseffen wij die weleens seks hebben en seksuele verlangens koesteren hoezeer die seksualiteit juist haaks staat op wie wij menen te moeten zijn, op de sociale rollen die wij wensen te vervullen.

En die andere kant van de liefde, de volstrekte onbaatzuchtigheid ervan, alleen al het gebod lief te hebben, dat met allerlei haken en ogen diep in de Joodse cultuur zit en ietwat gewijzigd via de christelijke cultuur bij ons terecht is gekomen als een absoluut en oneindig liefdesgebod, alleen al dat gebod is een schandaal, waarover de filosoof Marc De Kesel schreef dat het liefdesgebod ons kwetst en vernedert, omdat die ‘pure goedheid’ foltert en verplettert. De ­onbaatzuchtige liefde waar niet om is gevraagd, is vernederend, ­omdat zij je in het krijt stelt, omdat je haar alleen kunt aannemen of afwijzen.

Het is een schandaal, hoe moet je het anders noemen, dat wij mensen in de liefde steeds weer wensen te geven wat wij niet of slechts zelden hebben, die pure goedheid, en wensen te ontvangen wat de ander niet of slechts zelden te geven heeft. De omvang van dat schandaal is nog niet werkelijk tot ons doorgedrongen; was dat wel zo, zouden wij niet telkens weer de behoefte voelen de ander te schandaliseren en te beschamen, de ander te doen vallen, om onszelf te verlossen van de hardnekkige gedachte dat wij het zijn die meegesleurd dreigen te worden in een oneindige en nogal liefdeloze val.

Vrijdagavond is om 20.00 uur in Pakhuis de Zwijger de boekpresentatie van Bezette gebieden, de nieuwe roman van Arnon Grunberg. Hij praat met ­psycholoog René Diekstra over de thema’s uit het boek, met andere gasten, onder wie psychoanalytica Iki Freud, over schuldige affaires op ­onschuldige plekken en onschuldige affaires op schuldige plekken.


Gepost op 2020-01-10

Door Arnon Grunberg

Arnon Grunberg (1971) is een van de belangrijkste schrijvers van Nederland. Naast romancier is hij columnist, essayist en journalist. Zijn werk wordt vertaald in vele landen en is meermaals bekroond.


Ook van Arnon Grunberg

De caravan, de Joodse bejaarden en de hoofdstukcijfers: Arnon Grunberg over zijn tour du 'Bezette gebieden'

We vroegen Arnon Grunberg om een terugblik op de twee wonderlijke weken die hij doorbracht in een caravan, vanwege de verschijning van zijn nieuwe roman Bezette gebieden. Over geiten, het lokken van bejaarden, koosjere wijn, flauwvallende lezers en het oplossen van het probleem van de literatuur met hoofdstukcijfers.


Anneke Brassinga spreekt Arnon Grunberg toe over zijn nieuwe roman 'Bezette gebieden'

Dit is de toespraak die Anneke Brassinga uitsprak bij de presentatie van de roman Bezette gebieden van Arnon Grunberg, 9 januari 2020 in Beth Shalom te Amsterdam. Over het uitlachen van je lot, het zoeken van een heenkomen, over de epische dimensie van Bezette gebieden, over hoe de lezer op zijn qui-vive moet blijven, over de vleselijke taal die ook exploratie is van verstandhoudingen, waarheden en collectieve heugenis, en meer.




recente posts