Zoeken
Blootleggen #4: We waren allemaal samen
Anneke Claus reflecteert in deze nieuwe serie op de rol van taal (woorden, beelden en gebaren) als vormgever van onze wereld. Dit is 'Blootleggen #4: We waren allemaal samen', waarin ze schrijft over milieuactivisme, en hoe je tegenwoordig je groene levensstijl gewoon kunt kopen.

Blootleggen #4: We waren allemaal samen

Gepubliceerd op 3 november, 2020 om 00:00, aangepast op 22 juli, 2021 om 17:00

 

– ‘Je hoeft je eigen poep nooit op te ruimen, tot je er opeens tot over je oren in zit.’ 

Afgelopen zomer leerden mijn vriend en ik bij een Franse dorpskroeg genaamd ‘Café de l’Univers’ Michèle kennen, een alleenstaande bejaardenverpleegster die aanhikte tegen haar pensioen, en die aldoor zei: ‘Vroeger waren we altijd samen’. Toen ik haar een keer vroeg wat ze daarmee bedoelde, zei ze: ‘Geen internet, geen mobieltjes, geen tv. We keken elkaar in de ogen en sloegen een arm om elkaar heen. Zelfs het werk op het land deden we samen. Iedereen hielp iedereen.’

Ik vroeg me af of ze eenzaam was, zo met Corona. Even later hoorde ik haar met haar dochter telefoneren, die duidelijk geen tijd had om bij haar langs te komen, maar wel vond dat ze nodig aan de rollator moest, met haar etalagebenen en alles.

In mijn hoofd weerklonk als een gongslag de titel van het boekje waarin Jeroen de afgelopen dagen had zitten te lezen: Ons Grasland. Ons grasland, dacht ik, dat van ons is en van ons moet blijven en vooral ook moet blijven zoals het is, of weer moet worden zoals het was, ooit, maar wanneer precies zeggen we er niet bij, anders is het niet meer mythisch, en bovendien hebben we zelf ook geen idee.

Maar toen ik er wat langer over nadacht, kon ik me ook voorstellen dat dat boekje misschien niet nostalgisch of behoudzuchtig van inslag was, maar over heel andere dingen ging. Bijvoorbeeld over het feit dat onze graslanden in vorige eeuwen niet in handen van de staat, van natuurorganisaties of van de Rabobank waren, maar in het bezit van de gemeenschap. Dat mensen zoals Michèle er met tientallen tegelijk gebruik van maakten om er hun vee te laten grazen, het te melken en te scheren en te helpen jongen, en dat dat vormen van eigenaarschap, verantwoordelijkheidsgevoel en gemeenschapszin opleverde waar we ons nu geen voorstelling meer van kunnen maken.

Als het land mensen bij elkaar brengt, heeft het een meer dan zuiver economische waarde. Het bevordert de maatschappelijke samenhang, het bevordert de terugkeer van bepaalde seizoensgebonden rituelen, het bevordert het gevoel van eerbied voor de natuur en alle wonderen die ze verricht, van dankbaarheid voor haar gulle gaven. Het wijst ons op onze afhankelijkheid van die natuur en plaatst ons terug in het landschap, in precies die rol die we er werkelijk in spelen: de rol van nietig onderdeeltje ván, in plaats van heer en meester óver.

Wat dat waard is, is niet in geld uit te drukken, maar zeker wel in baten. Een dergelijke relatie met het land zou niet onze planeet kunnen redden, en ons als soort onder de soorten. In 2019 zag ik de Tegenlichtdocumentaire De aarde draait door over Paul Kingsnorth, een voormalig mileuactivist die zich met zijn gezin heeft teruggetrokken in een zeldzaam ongerept stukje Ierland, waar hij zijn best doet om zo zelfvoorzienend te leven als mogelijk is, zijn voetafdruk zoveel mogelijk te reduceren. Kingsnorth is een eindtijddenker. Hij gelooft niet meer dat de mensheid de aarde kan redden, of om precies te zijn: hij is bang dat de pleuris moet uitbreken voor ze daartoe ook maar enigzins bereid zal zijn, en tegen die tijd zal het voor veel van het leven op aarde al te laat zijn.

Bij wijze van eerbetoon en liefdesverklaring aan alles wat verdwijnt, heeft hij The Dark Mountain Project opgericht, een platform waarop hij en andere schrijvers schrijven over hun gevoelens van rouw omtrent de ecologische ramp die zich voor onze ogen voltrekt. Het is goed om stil te staan bij het verdriet en de wanhoop die dat bij ons losmaakt, zegt Kingsnorth, omdat het verlies je verbindt met je diepgevoelde behoefte aan heelheid en heiligheid.

Op de vraag waarom hij de hoop heeft opgeven, geeft hij een helder en onthutsend antwoord: omdat hij zelfs de grootste idealisten van zijn generatie in rekenaars heeft zien veranderen, en de barricades heeft zien verruilen voor stropdassen en tekentafels. De grootste denkfout binnen de ecologische beweging, aldus de schrijver, is dat je politici en economen in hun eigen taal zou moeten toespreken om ze mee te krijgen. In termen van economisch nut, efficiency, productiviteit en meetbaarheid. Volgens hem is dat je ziel aan de politiek en het bedrijfsleven verkopen.

Hij zegt: allemaal leuk en aardig dat ik weet hoeveel CO2 dit bos uit de lucht filtert, hoeveel water het vasthoudt en met hoeveel graden het de luchttemperatuur ter plekke doet zakken, maar als dat de enige waarde is die je eraan toekent, heb je ook een prima excuus om het om te hakken wanneer het minder productief wordt. Sterker nog, volgens die filosofie is dat dan juist een prima idee: als je het omhakt, kun je er ten minste nog je kachel mee aanmaken.

Hij verzucht: maar de waarde van het bos zit in zoveel méér dingen. Ze zit in de herinneringen van alle mensen die er in de loop der eeuwen weet ik wat hebben gedaan: de rust en de eenzaamheid opgezocht, gespeeld, gehuild, gelachen, gevreeën, paddestoelen, noten en vruchten verzameld, op dieren gejaagd en rituelen uitgevoerd. Ze zit in de muziek die het maakt: het kreunen en ruisen van de bomen, het fluiten van de vogels, het kraken van takken onder hoeven en voetkussentjes. Ze zit in de intelligentie van het mycelium dat de bomen verderop waarschuwt dat ik eraan kom en de planten die ik graag eet vertelt dat ze wat extra gif moeten aanmaken. In het gevoel van nietigheid dat ik ervaar als ik hier kom wanneer de elementen tekeer gaan.

Ik dik het nu een beetje aan, maar ik geloof wel dat dit was waar Kingsnorth’s betoog op neerkwam. En dat is ook hoe ik het filosoof Matthijs Schouten eens hoorde omschrijven toen iemand hem vroeg waarom het Amelisweerdbos het had afgelegd tegen een snelweg. Schouten doet onderzoek naar de vraag wat natuur is en hoe wij als soort ons ertoe verhouden, en ook hij signaleert dat de zuiver economische manier waarop we dat momenteel doen problematisch is. Hij koppelt de discussie over de energietransitie hieraan, omdat de ontwerpers van de groene revolutie volgens hem nog altijd in hetzelfde paradigma vastzitten: natuur mag er zijn als ze nut heeft voor ons, als ze ons iets oplevert.

Een ander probleem dat Shouten schetst, is dat mensen die het zich kunnen veroorloven – de midden- en bovenklasse van onze maatschappij – nu een groene leefstijl kunnen kopen, en dat ze met de aanschaf van elektrische auto’s en energiezuinige woningen hun schuldgevoel afkopen, terwijl de armen der aarde èn steeds meer gaan betalen voor hun niet-duurzame huizen en hun niet-duurzame energie, en de overgebleven natuur ingeruild wordt voor zonnefarms, windparken, stuwdammen, golfslagcentrales, datacentra en distributiehallen (gemaakt van materialen die elders ter wereld gewonnen zijn, door mensen die ook geen geld hebben om mee te kunnen in de groene revolutie).

Als je als vermogend burger investeert in de vergroening van jouw leefwereld, denkt je misschien dat je goed doet en lekker bezig bent, maar in feite heb je nog steeds dezelfde blinde vlek, in feite leun je nog steeds op slavenarbeid en ben je nog steeds bezig het landschap vol te plempen met meer plastic, metaal en cement, het probleem te verplaatsen naar plekken die zich buiten je blikveld bevinden. We moeten niet iets doen aan de manier waarop we vormgeven aan ons eeuwige verlangen naar groei, vooruitgang en méér, het is dat verlangen zelf dat we we moeten onderzoeken, troosten en geruststellen, omdat het anders alles wat leeft zal opslokken.

Hij zegt: als je de natuur reduceert tot het werkpaard of de oogsttuin van de mens, ga je volledig voorbij aan de intrinsieke waarde en betekenis van natuur. Aan haar schoonheid, haar veelvormigheid, haar complexiteit en haar wonderbaarlijke samenhang, aan de manier waarop ze ons via de herinneringen die wij aan haar bewaren met ons verleden verbindt en via haar belofte van eeuwige regeneratie een veilige thuishaven biedt waar we nog eeuwen mee vooruit kunnen. De natuur IS er, zowel buiten ons als in ons. Wij ZIJN de natuur. Als je ons uit het bos haalt, zit het bos nog altijd in ons. Mag een boom ook gewoon een boom zijn? Mag de boom gewoon ZIJN?

Als metafoor voor de wegwerpsamenleving gebruikt Paul Kingsnorth het beeld van het moderne spoeltoilet: ‘Je poept in een buis, je drukt op een knop en je ziet er niks meer van. Je hoeft je eigen poep nooit op te ruimen, je hoeft er niet eens naar te kijken, je gaat ervan uit dat iemand anders het ergens anders wel opruimt en dat het allemaal wel goed komt. Tot je er opeens tot over je oren in zit, natuurlijk. Op dat punt zijn we nu aanbeland. Nu realiseren we ons dat de vijand niet de overheid is, het bedrijfsleven of het kapitalisme, maar wijzelf. En dat is hoe je het ook wendt of keert een pijnlijk gegeven, waar we liever voor wegkijken.’

Kingsnorth poept in een emmer en gebruikt zijn poep om er zijn tuin mee te bemesten. Als je het met zaagsel en compost vermengt en het een jaar laat liggen, is het geweldige mest, zegt hij. Een tijdje terug vertelde Jeroen dat hij een oud boerenechtpaar had geïnterviewd. De man had hem uitgelegd dat eens in de zoveel tijd de poepschuit uit de stad langskwam over het binnenwater waar hun land aan grensde. De mensenpoepschuit. En dat ze daar dan een flinke lading van afnamen, omdat die mensenpoep toch heel andere dingen deed voor het land dan de stalmest die ze er óók over uitstrooiden.

Ik zei: raar eigenlijk, dat wij dat nog niet doen. Wij kunnen toch ook op een emmer poepen en onze hopen op de composthoop omzetten in voedsel voor onze stadstuin? Wat me in het bijzonder aansprak aan het idee, behalve dat het liters water zou besparen en een gezonde tuin zou opleveren, was hoe concreet de band met die tuin wordt wanneer je er niet alleen in werkt, maar hem ook verrijkt met je eigen uitwerpselen.

Vanmorgen las ik in de online editie van The Dark Mountain Project het artikel What the vaquita did to me van Sean Bogle, een bioloog en natuurbeschermer die zich inzet voor het behoud van alle levende soorten, inclusief de mens. De vaquita is de Californische bruinvis, een door overbevissing gedecimeerde soort waarvan in 2010 nog 250 individuen werden waargenomen, en in 2018 nog slechts tien. Bogle benoemt de opeenvolgende gevoelens die zijn ontmoeting met een van de nog levende indivduen bij hem losmaakte: opwinding, ongeloof, onmacht, verdriet en somberheid, maar vooral ook een diep verlangen om de vis in haar ogen te kijken en haar te beschermen tegen, ja, tegen wat eigenlijk? Tegen hemzelf.

Wat hij eigenlijk tegen de vis wil zeggen, is: het spijt me, vaquita, ik zag niet hoe mooi en bijzonder je was, hoe bijzonder het was dat je bij ons was, dat we allemaal samen waren. Ik had je moeten beschermen, maar nu is het te laat, en ga ik het enige doen wat ik nog voor je kan doen: je schoonheid bezingen, om ervoor te zorgen dat je in elk geval niet vergeten wordt.

 

Deze column is eerder gepubliceerd op Bindu.nu.

Auteurs
Auteur: Anneke Claus

Anneke Claus leeft het leven, houdt van de liefde en vreest de dood. In die hoedanigheid beklom ze vele literaire podia en was ze van 2009 tot 2011 stadsdichter van Groningen, waar ze nog altijd woont en werkt.

Blijf op de hoogte

Volg onze sociale media voor het laatste nieuws: