Zoeken
De Gekroonde Valk
Na vijftien afleveringen over zijn leven in Japan – een blogserie met de klinkende naam Tokyo Expatwife – schreef Mick Johan tegen wil en dank dat ene blog, de plottwist, over waarom hij halsoverkop met zijn gezin terug naar Nederland moest verhuizen. Zijn vrouw kreeg kanker. Nu gaat Mick proberen Amsterdam opnieuw te ontdekken, zijn draai weer te vinden, aan de hand van de kunst die hij tegenkomt. Hij is geen kunstcriticus, maar wél een schrijver, dus verwacht een mengelmoes van persoonlijke observaties, associaties en interviewfragmenten.

De Gekroonde Valk

Gepubliceerd op 25 januari, 2019 om 00:00


Van de week liep ik over de Hoogte Kadijk. Toen we nog in Oost woonden fietsten mijn meisje en ik vaak naar huis via dit straatje, in plaats van over de Kattenburgergracht. Soms kon je ‘s nachts de dieren in Artis horen. En ruiken. De Hoogte Kadijk leek me altijd een droomplek om te wonen.

Zo liep ik een beetje mijmerend door de straat. De kou maakte mijn adem zichtbaar. Glimmende vuilniszakken staken lelijk af tegen de laatste restjes sneeuw. Ik luisterde een podcast over een man die werd achtervolgd, maar ik was niet zo goed op aan het letten.  

In het midden van de straat stuitte ik op een zuil. Bovenop de zuil een grote, bronzen roofvogel met een kroontje op, een een soort lint om zijn nek. Deze vogel was me al vaker opgevallen, maar ik was er nooit mijn fiets voor afgestapt. Nu had ik de tijd. Ik bekeek hem eens goed. De zuil an sich was al opvallend. Een gemetselde zuil van rode bakstenen, en aan de voorkant wat horizontale lagen gele baksteen. Erbovenop een betonnen semi-rond ornament waarop de vogel zit. Een trotse roofvogel, maar niet Amerikaans of Duits. Op Amerikaanse en Duitse afbeeldingen spreiden roofvogels altijd hun vleugels, terwijl deze vogel zijn vleugels tegen zijn lichaam houdt, alsof hij op het punt staat het luchtruim te nemen.

Hij bevindt zich op zeker vijf of zes meter hoogte, wat ik merkwaardig vind in zo’n smalle straat. Op de achterkant van de zuil staat op een stenen plaat de tekst:
 

“OP DEZE PLAATS WAS VAN 1733 TOT 1949 IN BEDRIJF BIERBROUWERIJ DE GEKROONDE VALK.”
 

 

‘Aha. Een valk,’ dacht ik. Maar ook: ‘Een monument voor een bierbrouwerij? Really?

Ik vind het iets typisch Nederlands, om een monument op te richten voor een bedrijf. Ik kan me voorstellen dat Rutte er stiekem van droomt om na zijn pensioen het land door te rijden om dergelijke kapitalistische gedenktekens te onthullen. Het fortuin als maatstaf voor heldendom.

De Gekroonde Valk blijkt ooit de grootste brouwerij van Amsterdam te zijn geweest. Dat succes werd gedragen door de vleugels van de VOC. Het zal eens niet. De zuil op de Hoogte Kadijk is één van de zuilen die aan weerszijden van de poort stonden. Ter ere van het honderdjarig bestaan van het bedrijf halverwege de negentiende eeuw is de valk op de zuil geplaatst. Het is een Frans ontwerp, maar de kunstenaar is onbekend. De huidige vogel is een replica, het origineel staat bij een van de nazaten van de eigenaar van De Gekroonde Valk. Vlak na de oorlog verloren ze het van Heineken, en de brouwerij sloot haar deuren.

Ik hou van bier, maar ik drink niet zolang mijn meisje wordt behandeld. Toen we net uit Tokyo terugkwamen deed ik dat wel, maar dat werkte niet. Wie ladderzat slaapwandelt in een huis met twee kindjes en een vrouw die net aan borstkanker geopereerd is, die is een lul. Ik heb nooit goed met mate kunnen drinken, dus ik stopte er helemaal mee. Anderhalve week later was Lowlands, en dat overleefde ik nuchter. Toen wist ik dat ik het kon. Nu drink ik heel soms één glas. Een keer whiskey met mijn vader, een keer een glas champagne met Arlette op onze laatste dag in Japan nadat onze spullen op de boot gingen, een keertje een borrel met de band. Het valt me alles mee, al heb ik soms wel echt zin om een roes te voelen.

Met oud en nieuw had ik zo’n ouderwetse knaldrang. Mijn liefste, net ontslagen uit het ziekenhuis, was met moeite tot twaalf uur opgebleven. We hadden samen een film gekeken en er was een visschotel. Volgend jaar beter, zeiden we tegen elkaar. Zij ging naar bed en ik ging nog even naar de buurman, om te vragen of hij meeliep naar het vreugdevuur in Flevodorp. Dat deden we elk jaar. Buurman Rob is een gepensioneerde, Amsterdamse stratenmaker en een fantastische man. Hij was net ziek geweest en kon niet mee naar de fik, maar drukte me een biertje in de handen. Ik liep alleen naar het vuur en dacht aan de laatste oud en nieuw. Tegen het einde lag ik op de grond met mijn handen en voeten in de lucht. ‘Ik ben een tijger! Ik ben een tijger!’, riep ik, terwijl buurman Rob vertederd naar me keek. ‘Ach jongen, ik ben ook zo vaak een tijger geweest.’ 

Bij de fik trof ik mijn vriend Ohmar. Samen struinden we wat door Noord. We gaven vuurpijlen aan kinderen, en toen een groepje opgeschoten jongens bommetjes naar ons gooiden, probeerden we een vuurpijl op ze te schieten. Dat mislukte.

Ohmar pakte de metro naar de stad. Terwijl ik over brug over het spoor van de metro liep zoefde hij onder me door. Het grijze beton aan het begin van de tunnel weerkaatste zacht het tl-licht in de wagons. Ik keek tot de metro volledig was opgeslokt door het zwart van de tunnel. 

Auteurs
Auteur: Mick Johan

Mick Johan (1980) is schrijver, kunstenaar en drummer in de band MICH, van wie in 2017 het gelijknamige debuutalbum verscheen. Hij was de helft van kunstenaarsduo Miktor & Molf en de eerste hoofdredacteur van Vice in Nederland. Hij groeide op in Duitsland als zoon van een militair. Totemdier Arafat is zijn debuutroman.

Blijf op de hoogte

Volg onze sociale media voor het laatste nieuws: