Blog


Ze was piepjong, buitenaards mooi en zei dat oude mensen heus wel konden leren autorijden - Roxane van Iperen

Ze was piepjong, buitenaards mooi en zei dat oude mensen heus wel konden leren autorijden 04-02-2019

Het sneeuwde. Ik stuurde de Mercedes in slakkengang door de smalle straatjes, langs de filmische jarentwintig- woninkjes. Het leek ook wel een film. Maar dat was het nu juist niet. Ik reed door de echte wereld.

Sturen - meer hoefde ik in de echte wereld niet te doen. Het meisje naast me deed de rest.

Ze was piepjong. Ze was buitenaards mooi. Ze kwam uit een heel andere wereld dan ik. Ik wilde daar ook bij horen. Het meisje bekeek hoeveel lessen ik nodig zou hebben voordat het zover was.

We reden in slow-motion. Op de fiets zouden we allang omgevallen zijn. Ik merkte steeds dat ik harder wilde, veel harder. Maar daar ging ik niet over.

“Je ramt de stoeprand bijna.” Ze trok lichtjes aan mijn stuur.

Handig als ik in het dagelijks leven altijd zo’n oplettend meisje aan mijn zijde zou hebben, dacht ik.

“Kijk naar je neus!” zei ze.

“Naar mijn neus?”

“Ja.”

Het bleef toch zaak zelf na te denken. Het leek me echt beter de weg in de gaten te houden, dan mijn neus.

“Je moet éérst naar de neus van de auto kijken”, zei ze, “en daarna kijk je vooruit, zo ver mogelijk vooruit.”

Na een tijdje draaiden we de grote weg op, de eerste brug over, nog een brug. Recht op mijn nieuwbouw- eiland af! Het meisje wees me de weg door mijn oude straat, mijn oude huis voorbij. Alleen Ronnie, mijn zwarte kater, trippelde er over het trottoir. Hij zag me niet.

“Hier is het wel mooi”, zei ze, “maar het is hier echt vreselijk wonen.”

“Waarom?”

“Het zit hier vol muggen en steekvliegen. Zwermen insecten die, als je je mond opendoet, meteen naar binnen vliegen.”

“Horror”, zei ik. Was ik even blij dat ik de Mercedes terug naar mijn eigen nieuwe buurtje mocht sturen.

We babbelden intussen wat over leeftijd. Ze zei dat oude mensen het heus wel konden leren, maar dat ze vaak te veel nadachten. Ze vertelde over een heel oude man die ze gisteren nog in haar auto had voor een proefles, en die het toch óók nog wilde proberen.

“Hij was al zevenendertig”, zei ze.

“Ik ben vijfenveertig.”

“Ben je al zó oud?” Het meisje verschoot.

Ik was inderdaad al zo oud. Ook al zag je daar niets van. Ik concentreerde me op de weg die voor me lag, uitgestrekt en wit. Maagdelijk wit. Mijn handen aan het stuur.

 

Deze column is eerder gepubliceerd in Trouw. Elkes roman heet Ik nog wel van jou. Luister hier naar onze podcast met Elke Geurts over haar roman en scheiding.