BOEK

CLASSICS

Niets dan de nacht

Niets dan de nacht

John Williams

ISBN: 9789048827473 | Paperback, 128 blz | € 17.50 | December 2015


John Williams was 26 toen zijn debuutroman Niets dan de nacht verscheen. In dit kleine, maar adembenemende verhaal onderzoekt Williams de impact van een vroeg-traumatische ervaring. Als kind was Arthur Maxley getuige van een gewelddadige gebeurtenis die zijn leven voorgoed zou tekenen. In Niets dan de nacht volgen we de inmiddels volwassen, eigenzinnige Arthur tijdens een veelbetekenende dag in zijn leven: de dag waarop hij zijn vader, die hij sinds die afschuwelijke nacht in zijn jeugd niet meer heeft gezien, zal ontmoeten. Het weerzien brengt Arthurs oude demonen weer tot leven.

Ze was bijzonder knap. Dat zag hij meteen. Beslist het mooiste meisje in de zaal. Beslist het mooiste meisje dat hij sinds lange tijd had gezien. Haar kleine, compacte lichaam was gehuld in een losse, nauwsluitende, lange jurk van rode zijden jersey. Ze stond dicht tegen de deur aan, met haar ene been iets voor het andere. Daar waar de jurk in onthullende vouwen omlaag viel, kon hij de lange, golvende lijn van heupen en dijen zien. Haar middel was slank; en vanaf haar middel verbreedde haar romp zich tot verfijnde, perfect gevormde borsten die tegen het strakke lijfje van de jurk duwden. Ze was donker: haar huid, haar haar en haar ogen. Haar lippen waren vol en felrood. En ze keek inderdáád naar hem.
Vervolgens besefte hij nog iets anders. Ze was erg dronken. Dat ze tegen de deur leunde, was niet om te ontspannen, maar om te steunen. Terwijl hij naar haar keek, helde ze zichtbaar over, en greep naar de deurpost om in evenwicht te blijven. Haar mond ging om de minuut open, haar mondhoeken stonden omlaag en vormden, bijna, een halve cirkel. En hoewel ze hem onverstoorbaar aankeek, glimlachte ze niet. Daarna kreeg de onzekerheid weer de overhand op de kortstondige vreugde die hij had ervaren bij het zien van dit prachtige meisje. Zou hij een blik over zijn schouder moeten werpen, doen alsof hij haar niet zag? Maar dat verwierp hij; hij had te lang en te aandachtig gekeken. Hij slikte snel, neeg zijn hoofd en dwong zijn lippen tot een vage glimlach.
Aanvankelijk reageerde ze totaal niet op die kleine groet. Niets aan haar peinzende gezicht bewoog. Gedurende wat misschien een halve minuut was, staarde ze terug en voelde hij zich steeds ongemakkelijker worden. Vervolgens, onaangekondigd, helde ze weer over; en ze laveerde door de zaal naar hem toe.
Even werd hij door paniek overvallen. Waarom, zo vroeg hij zich in zijn ellende af, had hij geglimlacht? Hij wilde niet met haar praten, wilde haar niet aan zijn tafel hebben. Als ze zo dadelijk arriveerde, wist hij niet wat hij moest zeggen, noch wat hij moest doen. Haastig sloeg hij de warm geworden resten van zijn brandy en soda achterover.
Het volgende moment stond ze naast hem, alarmerend wankel, en nam ze hem tamelijk nieuwsgierig op. Omdat hij bang was dat ze zou vallen, kwam hij vlug overeind en maakte een stijve buiging. Pas toen merkte hij welke uitwerking de sterkedrank op hem had. Hij was behoorlijk draaierig, en de ruimte om hem heen kantelde. Hij greep zich vast aan zijn stoelleuning en glimlachte naar haar. ‘Hoe gaat het met u?’ zei hij formeel. ‘Wilt u niet zitten?’
Ze keek hem glazig aan. ‘Ik was hier met iemand.’ Haar stem klonk hees en ze sprak nauwelijks met een dubbele tong. ‘Waar hij nu is, weet ik niet. Hij is vertrokken, geloof ik.’ Hij bleef glimlachen.
‘Echt waar? Is dat zo? Nou, ga zitten. Ga zitten, alstublieft.’ Hij deed zijn best hartelijk over te komen. Ze zeeg neer op de stoel die hij haar voorhield, slaagde erin om dat elegant te doen. ‘Dorst,’ zei ze. ‘Zóóó’n dorst.’
Zijn paniek was verdwenen. Er was een soort woorden spuiende tevredenheid voor in de plaats gekomen. Hij zwaaide losjes een arm omhoog en gebaarde naar de kelner. ‘Natuurlijk,’ zei hij tegen het meisje. ‘Zeker. Wat wil je drinken?’
‘Dat maakt niet uit. Dat maakt helemaal niet uit.’
Toen hij een keel hoorde schrapen, draaide hij zich om. Hij zag dat de kelner geduldig naast hem stond. Hij dacht snel na, beet besluiteloos op zijn onderlip, en zei: ‘O, ik denk dat we champagne nemen.’ De woorden, die hij achteloos wilde laten overkomen, kwamen er gespannen en stijf uit. Hij draaide zich om naar het meisje. ‘Zullen we champagne doen?’
Ze knikte onverschillig. ‘Ja, champagne,’ zei hij tegen de kelner.
De kelner keek hem bedenkelijk aan; hij schudde zijn hoofd en liep bij hen vandaan. Arthur keek het meisje weer glimlachend aan. Zijn blik was stralend, en zij keek zwoel terug. ‘Hallo, moppie.’ ‘Hallo.’ Hij lachte. ‘Ik heet Arthur Maxley.’
‘Moppie,’ zei ze. ‘Ik noem je moppie.’ Hij lachte weer. ‘En hoe heet jij?’
‘Ik? Hoe ik heet? O. Ik heet Claire. Claire Hegsic. Ik ben Boheems, weet je.’
Hij lachte verward. ‘Wat?’ ‘Dat is mijn nationaliteit. Boheems.’
‘Dat is een mooie nationaliteit,’ zei hij. ‘Bijzonder mooi.’
‘Heb ik al gezegd dat ik hier met iemand was binnengekomen?
Nou, dat was zo. Maar nu is hij weg. Weg. Ik weet niet waar hij naartoe is gegaan.’
Hij keek haar met gespeelde verbazing aan. ‘Bedoel je... dat hij je hier heeft achtergelaten? Hoe kon hij dat nou doen?’
‘Het was een smeerlap, denk ik,’ zei Claire somber.
Ze dacht even na over deze ontdekking.
‘Ik vind jou leuker,’ verklaarde ze vervolgens.
Hij kwam los. ‘Dat is fijn,’ zei hij. ‘Fijn. Zo zou het moeten zijn.’
Hij was erg licht in zijn hoofd. Hij begon de dingen nu veel helderder te zien. Zijn neerslachtigheid van zojuist was verdwenen, hij ontspande zich. Alles was even prachtig, heerlijk; en wát een verrúkkelijk wezen, hier, naast hem. Hij keek haar vol bewondering aan. Zij keek hem in de ogen, maar hij wist dat ze hem niet echt zag. Nog steeds stond die broedende, ondoorgrondelijke introversie een kennismaking in de weg. Maar wacht, dacht hij: maar wacht, dacht hij triomfantelijk. Daar zal verandering in komen. De kelner, die hun champagne bracht, onderbrak zijn gedachtestroom. Hij keek gefascineerd toe terwijl de kelner merkwaardige dingen met de fles deed. Toen de kurk eraf plopte, begon hij zenuwachtig te giechelen. ‘Ik hou van champagne,’ zei Claire. ‘Hij prikkelt. Hij prikkelt het hele eind naar beneden.’
Hij lachte verrukt, instemmend. Ze dronken hun glas plechtig leeg.
‘Maar hij heeft geen kracht,’ vervolgde ze. ‘Ik hou van krachtige dingen.’
Ze sprak langzaam, dromerig verder. Hij luisterde, maar er drong steeds minder door van wat ze zei; het volstond om te worden getroost door die aangename stem. Hij vroeg zich af wat voor soort mens ze was. (In alle opzichten verrukkelijk, natuurlijk, maar...) Waar kwam ze vandaan? Waar woonde ze? Wat deed ze?
Al die alledaagse dingen die niet echt van belang waren. Hij zou er later achter komen, uiteraard, maar nu was het uiterst vermakelijk om ernaar te raden, luisterend naar het zoetvloeiende wiegelied van haar gekeuvel. Stenografe? Nee. Ze zag er niet uit als een secretaresse, allesbehalve: daarvoor waren haar vingernagels bovendien veel te lang, felrood gelakt, precies dezelfde kleur als haar lippen. Die vingers tikten niet op een typemachine. (Hij was buitengewoon trots op deze conclusie.) Verkoopster, receptioniste?
Nee, ook niet het type. Te rank, te goed verzorgd. Maar wat dan?
Het was bijzonder aangenaam om in staat te zijn rustig in deze overvolle, vrolijke gelegenheid te zitten, en ontspannen naar de prachtige stem van een lieftallig meisje te luisteren, en ondertussen te bedenken hoe dit wezen leefde. Mysterieuze dame. Dat klonk tamelijk afgezaagd, maar het sprak hem nu wel aan. Een dame die zich op duistere, geheimzinnige wijze beweegt: van waar naar waar weet niemand: een gefluisterd woord rond middernacht, een rendez-vous, een witte roos in dat donkere haar. (O, beslist een witte roos in dat heerlijke haar!) Beminnelijk en in het bezit van een eeuwige wijsheid, alwetend, alles begrijpend. Nu zou het orkest in de aangrijpende tonen van een bekende wals moeten uitbarsten: de Weense nacht: het bal, de mysterieuze vrouw die door iedereen werd aanbeden en door niemand werd gekend.
Hij gniffelde bij zichzelf. Het was een bijna hoorbare giechel.
Wat een wóéste fantasieën: net als in een verhaal in een tijdschrift.
Vervolgens opstandig – nee, het waren aangename fantasieën, behoorlijk aangenaam. En waarom zou hij er geen aangename fantasieën op na houden? Om wat voor reden zou hij dat niet moeten doen?
Hij zweefde helemaal en glimlachte door een waas van vreugde naar Claire. Ze was gestopt met praten; ze staarde hem weer met die eigenaardig lege ogen aan.
‘Wat?’ vroeg hij. ‘Wat zei je?’
Weer wachtte ze even, dacht erover na. ‘Ik weet het niet,’ zei ze.
‘Ik ben het vergeten.’ Waarop ze met een onvaste vinger naar de champagnefles wees. Ze wachtte.
‘Wat?’ vroeg hij onbegrijpend.
‘De fles,’ zei ze ernstig. ‘De fles is leeg.’
Hij wierp er een enigszins verraste blik op. Zo snel? Wat vloog de tijd: het leek alsof de kelner de fles nog maar net had ontkurkt en ze hun eerste glas hadden geheven.
‘Je hebt gelijk,’ zei hij. ‘Leeg. Nou. Daar zullen we wat aan moeten doen.’
Hij maakte een gebaar; en de kelner kwam op hem af.
‘Hoe heet je?’ vroeg hij. Dat vond de kelner grappig. ‘Nichols,’ zei hij.
‘Nick, de dame en ik willen...’ Hij draaide zich vragend naar haar om. ‘Meer van hetzelfde?’ ‘Nee,’ zei ze. ‘Iets krachtigs.’
‘Iets krachtigs, Nick. Haal maar een fles...’ Met een ongecontroleerd gebaar spiegelde hij hem de gewenste afmetingen voor. ‘Een grote fles.’
Nichols glimlachte vriendelijk. ‘Het spijt me. Er mogen geen flessen op tafel staan.’
‘Goed, uitstekend,’ zei hij welwillend. ‘Prima. Breng dan gewoon maar telkens nieuwe. Brandy. Grote glazen.’
Nichols glimlachte weer, knikte en ging ervandoor.
Het orkest dat verlegen leek te constateren dat het lang stil was geweest, barstte vrij onverwacht uit in muziek.
‘Ik ben misselijk,’ zei Claire. ‘Zullen we gaan dansen?’
Hij keek haar verward aan, maar trok haar logica niet in twijfel.
Al aarzelde hij.
‘Ik ben bang dat ik niet zo goed kan dansen.’ ‘Je kunt toch wel bewegen?’ ‘Ja.’
‘Nou, kom op dan.’
Ze drongen met enige moeite tussen de vele, dicht op elkaar gepakte lichamen. Aarzelend legde hij een arm rond haar middel.
Zijn vingers raakten de huid van haar blote rug en hij trok zich terug alsof hij een elektrische schok kreeg. Ze giechelde, en hij legde zijn hand er enigszins schaapachtig weer op, steviger. Ze drukte zich dicht tegen hem aan, en op het ritme van de muziek bewogen ze hun lichaam (er was geen ruimte om hun voeten te bewegen) intiem heen en weer. Nu, dacht hij, ben ik eveneens een marionet.
Nu word ik door ongeziene touwtjes bewogen: ik ben afgedaald in de kuil, ik ben een van hen.
Tijdens het trage, sensuele wiegen was hij zich op overweldigende wijze bewust van het lichaam van het meisje tegen het zijne. Haar arm lag strak om zijn nek, en ze drukte zich met een emotieloze gretigheid tegen hem aan. Haar stevige borsten duwden tegen de voorkant van zijn overhemd, en hij voelde de druk van haar dij tegen zijn been, de lichte trilling van haar maag als ze samen bewogen. Haar gezicht was opgeheven zodat hun wangen elkaar raakten, en hij voelde haar hijgende adem over zijn oren kriebelen. Hij duwde haar wat van zich af en keek naar haar gezicht. Dat bleven ze een poosje doen, zonder dat hun ogen en hoofd bewogen, terwijl ze elkaar aanstaarden en hun lichaam traag heen en weer schommelde. Voor het eerst stond er een glimlach op haar wijkende lippen. Een lome, doezelige, gelukzalige glimlach. Hij stelde zich voor dat hij diep in die halfdichte bollen een smeulend, afgedekt vuur zag. Waarna ze, met een nukkige beweging, zonder ook maar een spier op haar gelaat te vertrekken, zijn hoofd weer tegen zich aan trok; en wederom voelde hij het in- en uitademen over zijn wang en oor. Hij besefte nauwelijks dat de dans was afgelopen. Zichtbaar geschokt maakte hij zichzelf los, pakte haar bij haar arm, en ze wandelden terug naar de tafel. Hij hijgde, en hij voelde dat zijn gezicht wat rood kleurde. Ze gingen zitten; hij keek haar over de tafel heen aan. Haar gezicht had het voormalige, stuurse masker van verveling aangenomen. Ze keek weer glazig uit haar ogen, en haar mondhoeken stonden vaag ontevreden omlaag. Hij merkte dat hij het jammer vond dat ze er zo onaangedaan uitzag, dat ze, wat het ook voor gevoelens waren die ze op de dansvloer had getoond, zo snel was kwijtgeraakt.
Vergeefs deed hij zijn best om te voorkomen dat zijn stem trilde.
‘Voel je je nu beter?’
Ze knikte.
‘Veel beter. Waar is die vervloekte kelner?’
‘Daar komt hij.’

'De peilloze eenzaamheid en wanhoop van Stoner zitten er al helemaal in. Huiveringwekkend prachtig.'

Elsbeth Etty in NRC Handelsblad

"Het is een boek dat de tijdgeest weergeeft, toen jonge auteurs een uitweg zochten voor hun innerlijke kwelling en echt een verhaal te vertellen hadden, een verhaal vol stille schreeuwen dat er hoe dan ook uit moest"

Nu.nl

"Een mooie dame van weleer prijkt op het omslag, en de geest van F. Scott Fitzgerald en Ernest Hemingway weerklinkt in lange, doorwrochte zinnen"

Trouw

‘Williams weet in Niets dan de nacht de eenzaamheid van de mens tot de kern terug te brengen. Hij is – het zal paradoxaal klinken – helder poëtisch en daarnaast nietsontziend in zijn thematiek. Geen gemakkelijk onderwerp: de vurige liefde voor de moeder, de verloren tijden van eenvoudig geluk, de allesverzengende verlating. Het is interessant om het debuut nu in het groter geheel te kunnen plaatsen, maar dit werk kan het ook alleen af’

Guus Bauer, TZUM

‘De Williams-revival geeft heel veel voldoening – het voelt als een zeldzame daad van rechtvaardigheid. Eindelijk gerechtigheid voor deze wijze en scherpzinnige schrijver die niet één slechte zin op zijn naam heeft staan’

Los Angeles Review of Books

‘In Niets dan de nacht schemeren de schrijvers door die Williams beïnvloedden – F. Scott Fitzgerald, Thomas Wolfe, Ernest Hemingway en Sherwood Anderson – zoals bij de meeste jonge schrijvers van die generatie. Hier is John Williams, nog een beginnend schrijver, bij aanvang van zijn literaire reis’

Charles J. Shields, biograaf

‘John Williams is een van die auteurs die je absoluut wilt aanraden aan een vriend omdat je zeker weet dat je hem er gelukkig mee maakt’

Niccolò Ammaniti

‘In 'Niets dan de nacht' schemeren de schrijvers door die Williams hebben beïnvloed – F. Scott Fitzgerald, Thomas Wolfe, Ernest Hemingway en Sherwood Anderson – zoals bij de meeste jonge schrijvers van die generatie. Hier is John Williams, nog een beginnend schrijver, bij aanvang van zijn literaire reis’ 

Charles J. Shields, biograaf

Nieuwsuur interview met Nancy Williams (de weduwe van John Williams).