Twee kiep: een kerstverhaal

Twee kiep: een kerstverhaal

Elly Biesters

In ons dialect is het meervoud vaak hetzelfde als het enkelvoud: één koei, twee koei, één kip, twee kip, of, in goed dialect: één kiep, twee kiep.

En niet één, nee, maar liefst twee kiep liggen bij opa te sudderen in de zwartgeblakerde rode braadpan in een pond boter, goei botter. Eigenhandig geslacht door ome Bart, de tong half uit zijn mond bij het omdraaien van de tere nekjes, achter op het erf onder de kromme pruimenboom. Koppen afhakken doet hij liever niet. Het gesjok achter de rennende onthoofde kippenlijven is te vermoeiend.

De geur van het garende kippenvlees doet me watertanden. Gezeten op een van de houten keukenstoelen naast de kleine kerstboom die ook op een keukenstoel is geplaatst kijk ik de keuken in. Uit de geurende dennentakken trek ik een streng engelenhaar los en hou die voor mijn ogen waardoor alles in kerstsfeer komt: door een wit waas zie ik oma met een lepel een handvol kersen uit een pot in een glazen bakje schrapen, en opa stemt in een witte mist zijn mondharmonica. De kerstboom lijkt op een enorme cocon, zoveel engelenhaar heeft ome Han nogal lomp om de takken gedraaid, maar het resultaat is betoverend. De oranje en gele lampionnetjes die de boom verlichten zijn nauwelijks nog zichtbaar door de dikke wolk fijn haar, dat er bedrieglijk zacht uitziet maar prikt in je vingers als je het aanraakt. Ik duw de streng engelenhaar terug het boompje in en kijk naar buiten waar ome Bart de luiken losmaakt om ze te sluiten. De wind blaast de laatste veertjes van de twee kiep over het erf en laat ze als blaadjes rond zijn grijze hoofd dwarrelen. De meeste heb ik vanmiddag opgeraapt en in een dikke plastic buil gedaan die ik verstopte in een gat in de muur van de varkensstal. Later als ik groot ben ga ik de buil tevoorschijn halen en terugdenken aan deze heerlijke Kersttijd.

‘Heb ik oe al es verteld over de kater die in d’n oorlog met een rollade in z’n muil thuiskwam?’ Ik knik en bekijk mezelf in de bolling van een rode plastic kerstbal. Opa gaat onverstoorbaar door. ‘Het was unne rollade van de veldwachter, maar ik heb hem schoon gespuuld en we hebben d’r lekker van gegeten.’ Hij lacht zacht bij de herinnering aan deze heldendaad van zijn kat en slaat dan met zijn hand op tafel. ‘Nou motte mar es goan.’ 

‘Vat urst nog mar een sjoklaadje’ wijst oma naar het schoteltje met chocolade dierenfiguurtjes. Mijn maag rommelt en het is pas vier uur. Nog minstens een uur wachten voor we thuis aan de kerstdis gaan, aan de tafel die is versierd met een rood papieren kleed met groene bloemen en, het allermooiste, een rode kaars in het midden. In het jaarlijkse kerstpakket van het ziekenfonds zit naast de pot perziken op sap, een bik ragout en crackers, ook altijd een doos rode Gouda-kaarsen. Eenmaal per jaar gaat tijdens het kerstdiner de hanglamp in de huiskamer uit en een van de kaarsen aan.

Ik verlaat de Hucht via de bijkeuken, waar ik probeer een flinter van een van de kippen in de braadpan af te scheuren om te proeven. Thuis eten we stukken kalkoen, die mijn moeder aanbraadt in margarine en daarna urenlang laat sudderen in water tot het taaie hompen zijn. Omdat het Kerst is krijgen we er gekookte erwtjes bij en tuttifrutti, een zoete gekookte massa zuidvruchten die niemand lekker vindt maar die heel feestelijk oogt. We gebruiken het Japanse servies dat mijn vader en moeder als huwelijkscadeau kregen van een verre neef die op de grote vaart voer en verre landen als Singapore en Japan bezocht. ‘Handbeschilderd dur d’n Jap’ aldus mijn vader. De erwtjes en aardappels en zelfs de gekookte kalkoen smaken bijzonder door die borden met de handgeschilderde waterval en rieten huisjes tegen een berg met daarboven zwevende kraanvogels. Als de borden zijn schoon geschraapt wordt razendsnel alles afgeruimd en afgewassen. De klok slaat zes uur, en straks komt er een Duitse kerstshow op televisie. Het kleed mag nog een dag blijven liggen, maar de gevaarlijke kaars moet direct uit. Met een intens geluksgevoel snuif ik de geur van de uitgeblazen vlam op. Kerst is de mooiste tijd van het jaar maar mag best langer duren dan een halve Gouda-kaars.


Gepost in: proza op 2017-12-23

Door Elly Biesters


Ook van Elly Biesters

Een mantel met een bontkraag (Fragment: Ongemakkelijke mensen)

Nu verschenen: Ongemakkelijke mensen, een bruut maar geestig debuut van Elly Biesters vol onvergetelijke personages. Lees hier een fragment!


Voorpublicatie 'Ongemakkelijke mensen'

Elly Biesters is schrijver en journalist. Ze komt uit het Gelderse vissersdorp Heerewaarde, waar ze in haar debuut Ongemakkelijke mensen over schrijft. 24 augustus verschijnt haar geestige én brute roman bij Lebowski. Lees hier vast een fragment!




recente posts

Troost

Troost

Jonah Falke
Gepost op: 2018-04-19 in: faits divers
Gepost op: 2018-04-17 in: faits divers