Tokyo Expatwife #15: Exile

Tokyo Expatwife #15: Exile

Mick Johan

Het is een regenachtige dag en veel te vroeg om op te staan, laat staan om de deur uit te gaan. Toch doe ik dat. De drumstokken in mijn tas tikken nonchalant tegen elkaar, losjes op het ritme van mijn pas. Misschien wel het lekkerste geluidje dat ik ken, maar haast onhoorbaar door het gekletter van de regen op mijn paraplu.

Ik loop naar Sasazuka, een station vlakbij waar ik nog nooit eerder de trein heb gepakt. Ik hou van het levendige buurtje, maar nu zijn de kleine straatjes doodstil. Op het station haal ik een ijskoffie en een onigiri, een rijstbal. Mijn trein komt over zeven minuten. Dit gaat soepel.

De Keio-line glijdt zachtjes tussen de slapende huizen door. De regen komt met bakken uit de hemel, maar in mijn hoofd schijnt de zon. Nog geen veertig minuten later stap ik uit.

Buiten het station kom ik terecht in een grote stoet Japanse jongemannen, gehuld in zwarte capuchontruien. Ze maken geen geluid. Een vreemde gewaarwording om zeven uur ‘s ochtends.

Een enorm blauw monster doemt op tussen de huizen. Het is Gamera. Een schildpadachtige Godzilla die wereldwijd niet zo bekend is, maar in Japan niet onderdoet voor het origineel. Gamera staat afgebeeld op een groot gebouw, niet geheel toevallig de studio waar de film grotendeels is opgenomen. De zwarte hoodies sijpelen de poorten van de studio binnen. Op het studioterrein staan de borden met pijlen: Exile-videoshoot.

 

Exile is een Japanse boyband met 15 (!) leden. De tijden waarin ze binnen een week een miljoen exemplaren van een album verkochten zijn voorbij, maar Exile is nog steeds erg populair. De groep bestaat bijna twintig jaar en telt inmiddels 4 generaties leden: Exile is een instituut. En ik ben de drummer in hun nieuwe video.

 

Een week eerder werd ik gebeld om casting te doen. Ik kende Exile toevallig al, en dit was een droomklus. De avond voor de casting kreeg ik een Cupnoodle-reclamefilmpje met veel geschreeuw en explosies toegestuurd. (Cupnoodle is een ander Japans instituut, en tevens het enige instant-noedelmerk ter wereld waaraan een museum gewijd is.) Vaag op de achtergrond hoor je een liedje met veel onderbrekingen en een beat waar geen drummer aan te pas gekomen was. Dit was echter het nummer dat ik moest gaan drummen.

Ook de casting was vroeg. ‘s Ochtends drummen is voor fanfares. Tijdens de enorme worsteling met de verschillende secties van het nummer zakte de moed me in de schoenen. Met een rode kop van schaamte en inspanning liet ik mijn stokken zakken.

‘Kakoi!’ Zei de casting director, hetgeen ‘cool’ betekent, maar zo voelde het niet. Ik voelde me een oude, domme man die zichzelf weer eens had overschat. Een gevoel waar ik de laatste tijd steeds vaker mee te schaften heb. Maar ik kreeg de klus. Hoera.

 

We worden uit onze kleedkamer gehaald, de nepgitarist, de nepbassist en ik. Via een gangenstelsel worden we naar de studio geleid. Die is enorm. We wachten achter het podium. Er zijn mensen met headsets en stoelen waar onze namen op staan. Een meisje met een headset geeft me een flesje water met mijn naam erop. De stylist trekt mijn kleding recht en een ander frommelt aan mijn haar.

Aan de andere kant van het podium is het doodstil, maar er staan 800 volledig in het zwart gehulde Japanse jongemannen te wachten. De stilte is bizar. Boven ons hangt een enorme lichtinstallatie en laserstralen verkennen de zaal, alsof ze razendsnel alle hoofden aan de andere kant van het podium scannen.

Een spreker zegt iets tegen de zaal en deze barst los in spontaan gejuich. Wij worden richting het podium gemaand. Ik loop de trap op en zie dat Exile aan de andere kant het podium betreedt. Ze zouden een even goed een voetbalteam als een motorbende kunnen zijn. Ik neem plaats achter het drumstel en heel, heel even neem ik het applaus in ontvangst alsof het daadwerkelijk applaus is. Voor mij, als drummer van deze band. Ik glunder. De spreker roept nog iets en het gejoel zwelt aan. Armen gaan omhoog. Het is fantastisch.

Plots realiseer ik me dat dit geen optreden is, en ik hier geen echte drummer ben. Ik vervloek de domme edelfigurant die ik ben. 

Ondertussen jutten de jongens van de boyband beurtelings de menigte op. De lampen gaan aan, make-up wordt bijgewerkt, jassen worden rechtgetrokken. Het licht gaat weer uit. Gespierde armen en torso’s glimmen gespannen in het schichtige laserlicht.

De jongens die het dichtst bij het drumstel staan stellen zich netjes voor en wensen me succes. Ik hen ook. Dan beginnen we.

We spelen telkens ongeveer vijfenveertig seconden van het nummer, en elke keer schuift de lijn van camera’s een sectie op. Het is de enige manier om alle vijftien jongens goed in beeld te krijgen. Na elke vijfenveertig seconden verdwijnt Exile om het beeldmateriaal te bekijken. Het is een megaklus, en een lange dag. Tussen de takes wacht het publiek stilletjes in kleermakerszit op de volgende, waarin ze opnieuw enthousiast alles geven. Hun geduld en discipline is ongekend. Dat van Exile ook. Take na take dansen ze een strakke en vermoeiende choreografie. Het is hard werken. Er zijn takes waarin een kleine cameradrone tussen de dansende jongens en achter het drumstel door vliegt.

Tussendoor rook ik een sigaret met Exile Atsushi. Hij is de oudste en vandaag jarig. Net als ik is hij nu achtendertig. Er wordt voor hem gezongen en taart gebracht. Ik feliciteer hem en complimenteer hem met zijn harde werk. Hij knikt en zucht vermoeid: ‘Het is hard werken.’ Ik vraag me af waarom iemand zo lang in een boyband blijft zitten. Hij is als de directeur van een voetbalclub die zelf nog in het elftal speelt.

De comfortabele kleedkamer van de band kijkt van bovenaf uit op de loods voor het publiek. Terwijl de achthonderd figuranten op blauwe zeilen op de grond zitten te eten, maak ik selfies met de opgezette krokodil met een halsband in onze kleedkamer.

Ik kom laat thuis.

De weken daarna fantaseer ik stiekem van een selfie op Shibuya-crossing met mijn drummende hoofd op één van de grote schermen. Heerlijk likes cashen. Gisteren zag ik de video voor het eerst. Ik ben praktisch onzichtbaar, en waar je me ziet ben ik onherkenbaar. Natuurlijk, het gaat om de boyband. Toch dacht ik dat het anders zou zijn. Ik schaamde me voor mijn ijdelheid en naïviteit. Mijn vrouw lachte me uit, en ik lachte met haar mee. Deze oude, domme man had zichzelf weer eens overschat. 

*

Inmiddels is de videoclip 'Heads or Tails' van Exile bijna twee miljoen keer bekeken.


Gepost op 2018-07-11

Door Mick Johan

Mick Johan is auteur van Totemdier Arafat en schrijft op het Lebowski Blog over zijn leven als 'expatwife' in Japan.


Ook van Mick Johan

Where The Sun Hits The Sky

Na vijftien afleveringen over zijn leven in Japan  een blogserie met de klinkende naam Tokyo Expatwife  schreef Mick Johan tegen wil en dank dat ene blog, de plottwist, over waarom hij halsoverkop met zijn gezin terug naar Nederland moest verhuizen. Zijn vrouw werd ziek. Nu gaat Mick proberen Amsterdam opnieuw te ontdekken, zijn draai weer te vinden, aan de hand van de kunst die hij tegenkomt. Hij is geen kunstcriticus, maar wél een schrijver, dus verwacht een mengelmoes van persoonlijke observaties, associaties en interviewfragmenten.


Tokyo Expatwife #16: Plottwist

Een tijdje geleden zat ik me af te vragen of ik nog een stukje zou schrijven vanuit Nederland, als we daar op vakantie zouden zijn. Vorig jaar heb ik dat niet gedaan, we waren immers pas net vertrokken uit het thuisland toen we er weer terugkwamen.




recente posts