Tegen tweehonderd per uur op weg naar rust (Anneleen Van Offel)

Tegen tweehonderd per uur op weg naar rust (Anneleen Van Offel)

Anonymous

Op de eerste dag van onze treinreis door Europa zeg ik tegen mijn lief dat ik nog nooit zoveel heb nagedacht over scheiden als sinds we verloofd zijn. De komende twee maanden zullen we trouwen, niet in een kerk of met een groot feest, maar door tijd te hebben voor elkaar. We zitten natgeregend en verkleumd in een souterrain in Kopenhagen, in een koffiebar die heel erg zijn best doet om eruit te zien als een hippe koffiebar en daar matig in slaagt.
    ‘Ik bedoel,’ zeg ik. ‘Misschien verliezen we de liefde wel door ze zo expliciet te benoemen.’
    Mijn lief kent me langer dan vandaag. Hij kijkt buiten, naar de jagende mensen boven ons, op weg naar een plek waar ze niet gemist kunnen worden.
    ‘Zoals een astronaut bij het verlaten van een ruimteschip een totale samenhang ervaart met de kosmos, daardoor niet meer terug wil naar het schip en sterft, waardoor hij dat gevoel natuurlijk ook verliest,’ zeg ik. Mijn lief humt afwezig.
        ‘Of nee, beter. Wanneer je met de trein langs een prachtig huis rijdt, echt zo’n huis waar je meteen wil intrekken. Maar natuurlijk wil je niet wonen in een huis waar een paar keer per dag een trein in je achtertuin voorbij dendert. De waarneming heft het op. Het zien vernietigt. Toerisme naar ongerepte plekken, nog zoiets.’ 
    ‘Spreken jullie Nederlands?’ De kalende man naast ons vraagt en stelt vast tegelijk. Mijn lief zegt opgelucht dat hij ons net in een existentiële discussie treft. De man belooft dat hij het niet erg vindt. Hij begrijpt mij, zegt hij. Hij verzamelt strips. ‘Ik heb de drang om iets te vervolledigen. Maar volledigheid kan alleen als de reeks ermee ophoudt.’ In zijn gezicht straalt een jongen als hij vertelt wat hij het liefste leest. ‘De Rode Ridder. Suske en Wiske.’
    Wanneer ik hem vraag naar zijn beroep, valt hij stil. Douanier in de haven van Zeebrugge.
    ‘Vorige week heb ik zeventwintig mensen uit een container gehaald, ze kwamen uit Senegal. De chauffeur hoorde klappen op de wand, heeft mij er onmiddellijk bij geroepen. Vanaf dat moment zetten procedures zich in gang: scheepvaartpolitie, de 101, meldingen neerleggen, dossiers opstarten. Het moment dat die mensen uit die container kruipen… Vrouwen, kinderen. Ze waren niet waar ze wilden zijn, maar ze waren wel in leven. Het was op het nippertje. Zevenentwintig mensen. In die container. Tegen de middag was hij alweer op zee, kunnen jullie je dat voorstellen? Flessen wijn.’
    Hij houdt de warme koffiekop tegen zijn slaap. ‘Van slapen was die nacht geen sprake. Het licht ging uit. Ik ben in mijn auto gestapt en tegen tweehonderd per uur naar hier gereden om te ontstressen.’   
    Dan staat hij op. Ik wens hem het beste. Ik zeg hem dat ik voor hem hoop dat zijn collectie Suske en Wiskes nooit volledig zal zijn.
    ‘We hebben allemaal een verhaal nodig om in te verdwijnen,’ zegt hij, voor hij onze hand schudt en de trap opgaat, de regen in.
    ‘Soms is iets opmerken het begin van beschermen, zegt mijn lief. En hij knijpt zachtjes in mijn hand.

 

Deze column werd eerder gepubliceerd in De Standaard. Fotograaf: Maarten van der Kamp. 
In februari verschijnt de debuutroman van Anneleen van Offel, Hier is alles veilig, bij Lebowski.


Gepost in: proza op 2019-10-09