Suriname, de geboorte van een dierenarts  (uit: Onze dieren. Schrijvers over hun kat, hond, konijn of hagedis)

Suriname, de geboorte van een dierenarts (uit: Onze dieren. Schrijvers over hun kat, hond, konijn of hagedis)

Chris Polanen

'Waarom ben je dierenarts geworden?' wordt mij regelmatig gevraagd. 'Ik hield als kind al van dieren,' antwoord ik dan. 'In Suriname.' 


Ik groeide op in Paramaribo. Suriname was nog niet onafhankelijk van Nederland. Destijds was mij ik nauwelijks bewust van de tegenstellingen tussen arm en rijk, en wist ik zelfs nog minder van het kolonialisme en de politieke beweging die een hevige strijd voerde om los te komen van Nederland. Voor mij was het leven simpel. Ik zorgde ervoor dat de leraren op school geen reden hadden om mij met een van hun latten te bewerken, ving visjes in de slootjes rond het huis en speelde met vriendjes op straat of met de honden op het erf.

Op bijna elk erf scharrelden een of meer honden. Surinaamse honden: slanke taaie dieren die leefden van restjes rijst en afgekloven botjes. Ze moesten een scala aan parasieten en levensgevaarlijke infecties zien te overleven. En het verkeer: iedereen kende het geluid van piepende remmen, de doffe klap en het gejank. Het gejank duurde meestal nog geen minuut, dan had het dier zich teruggetrokken op een erf en zou het verder in stilte lijden. Botbreuken, gescheurde spieren en open wonden zouden in de meeste gevallen zonder troost of hulp van een dierenarts moeten genezen. De overlevers zag je later voorbijhinken: de breuken geheeld, maar de poot voor altijd korter, scheef of bungelend boven het asfalt. Iedereen kende de pups die langs de weg voortsjokten op weg naar een vroege dood. Iedereen kende de wonden van zwerfhonden waarin de maden krioelden. Van kleins af aan verwonderde ik mij over de onverschilligheid van de omgeving: als honden al aandacht kregen was dat vaak in de vorm van een projectiel dat met grote vaart op hen af werd geslingerd. Straathonden waren zo gewend om met stenen bekogeld te worden dat ze al wegrenden als je deed alsof je een steen van de straat oppakte.

Onze eerste hond was Bello: een zwart-wit gevlekte erfhond. Ze lag een groot deel van de dag te slapen en kwispelde als ze mij zag. Wilde een vreemde het erf betreden, dan veranderde ze in een monster, haar tanden ontbloot en nekharen overeind. Zoals van een Surinaamse hond verwacht werd. 

Twee keer per jaar lokte haar loopsheid reuen naar ons erf. Ik werd 's nachts wakker van hun grommen dat steeds dieper en dreigender klonk, tot het overging in het grauwen van een gevecht. De gevechten duurden nooit lang, maar herhaalden zich vele malen en drongen door in mijn dromen. Het geluid van rondtollende lichamen in het zand, het janken van de verliezers.

De reuen wegjagen had geen zin. Schreeuwen, emmers water, slippers, het maakte allemaal weinig indruk. Ze renden de straat op, maar stonden al na een meter of tien stil en draaiden zich weer om. Als je naar binnen ging, slopen ze van alle kanten weer het erf op. Bello zat tijdens die nachten meerdere malen vast. Het was de eerste seks die ik zag. 'Je kan ze dan niet uit elkaar halen, hoor,' zei mijn moeder. De manier waarop Bello en de reu met hun achterlijf tegen elkaar geplakt zaten, maakte het mysterie voor mij alleen maar groter. Ik vroeg mij af waarom de natuur deze nachten vol strijd organiseerde, en of de winnaars met hun grote gehavende koppen en knokige lijven automatisch Bello's goedkeuring kregen.

's Ochtends waren de reuen verdwenen: hun urine, poep, en bloed lag verspreid over het erf. Mijn moeder schrobde de stenen vloer en harkte het zand. Ondanks de grote hoeveelheid Dettol die ze gebruikte, bleef de rauwe geur van de nacht nog lang hangen. Bello lag er altijd ontspannen bij, alsof er niets gebeurd was. 

Wie de vaders ook waren, twee maanden later kreeg Bello pups, die er allemaal anders uitzagen: zwart, bruin, wit of gevlekt. Er waren altijd mensen die er een wilden en we waren ze dan ook snel kwijt. Een van de pups was groter en mooier dan alle andere die ze ooit gebaard had. Hij had wollig bruin haar en een grote witte vlek op zijn borst. Ik mocht hem houden en noemde hem Bruce. Hij begroette mij altijd alsof hij me lange tijd niet gezien had en spelen met mij leek het belangrijkste doel in zijn leven.

Ik moet een jaar of tien geweest zijn toen Bello, hoogzwanger, op een avond haar eten liet staan. Ik dacht dat ze moest bevallen en verheugde mij al op de pups die er de volgende ochtend zouden zijn. Vlak voor ik naar bed moest, ging ik beneden kijken of ze voldoende water had. Ze lag echter doodstil op haar zij met haar ogen open. Het was de eerste keer dat de dood zo dichtbij kwam. Ik rende de trap op alsof hij mij op de hielen zat en riep: 'Bello is dood! Bello is dood!' Mijn vader vloekte zacht, mijn moeder streek over mijn haar. Terwijl ze de trap afliepen overlegden ze op zakelijke toon over wat er met het lichaam moest gebeuren.

Bruce werd voor mij nog kostbaarder. Ik controleerde hem dagelijks op teken en wondjes. Als hij braakte, hoestte of diarree had, liep ik zelf met hem naar de dierenarts. De wachtkamer zat altijd vol magere, ongelukkig kijkende honden die de stank van wonden en diarree verspreidden. Hun eigenaren verlieten de spreekkamer met een papieren zak vol tabletten of een donkerbruin flesje gevuld met vloeistof. De dierenarts was een oude Nederlander, die Bruce zijn temperatuur opnam, in zijn oren keek en zijn buik bevoelde. Daarna zei hij dat het wel meeviel en gaf hem een paar injecties en medicijnen mee. Elke keer als ik zag hoe snel Bruce opknapte, groeide mijn bewondering voor de man, die met een hoofd vol kennis en een paar simpele handelingen elk probleem op kon lossen. 

*

In 1975 werd Suriname onafhankelijk; uit angst voor wat er komen ging, vertrokken duizenden Surinamers naar Nederland. Ik was twaalf en behalve het afscheid van enkele familieleden en vriendjes veranderde er voor mij weinig. De belangrijkste gebeurtenis was de komst van een nieuw huisdier: een neef kwam langs met een jong hertje, waarvan de moeder door jagers was geveld. Het leek mijn ouders een goed idee om het diertje aan mijn broertje en mij te geven. Surinamers hielden vaker wilde dieren op het erf -dierenwelzijn was in die tijd nog een onbekend woord. Vooral apen waren populair als huisdier, maar levenslang geketend raakten ze gefrustreerd. Mijn moeder en tantes droegen stuk voor stuk littekens omdat ze de aap van de buren hadden geprobeerd te aaien.

Mijn broertje en ik waren direct weg van het schuchtere wezentje, dat behoedzaam over het erf liep. Twee grote ogen die je vragend aankeken en een ruwe tong waarmee hij voorzichtig je vingers likte. We noemden hem Kantjil, naar een dwerghertensoort in Indonesië, die mijn broertje ooit in een boek had gezien. Mijn vader zette een stuk van het erf af met gaas en daar zou hij opgroeien.

Maar van het voer dat we hem te eten gaven werd Kantjil al snel ziek. De dierenarts kwam langs, schreef een poeder voor en een dieet van uitsluitend vers geplukt gras. Toen ik hem vroeg hoe je dierenarts kon worden, zei hij: 'Daarvoor moet je naar Nederland.' Hij schudde zijn hoofd en bekeek mij met een strenge taxerende blik. 'Het is een zware studie. Je moet hele boeken uit je hoofd leren.'

Ik voelde me kleiner worden en had spijt dat ik de vraag gesteld had.

'En de winters zijn koud... Je kan je niet voorstellen hoe koud.'

Ik kromp nog iets meer ineen.

Daarna zochten mijn broertje en ik dagelijks langs de straten naar gras voor Kantjil. De twee soorten die hij lustte, groeiden gelukkig bijna overal. Pas als we een flinke jutezak gevuld hadden, keerden we terug naar huis. We klaagden niet. Kantjil was immers geheel van ons afhankelijk. 

*

Tijdens Suriname's eerste jaren als republiek bezocht ik de middelbare school en begon steeds meer te beseffen dat ik niet voldeed aan de verwachting van mijn leeftijdgenoten, die het hadden over drinken, roken en achter meisjes aan gaan.

Toen ik vijftien was kocht mijn oom een jong renpaard in het buurland Guyana, genaamd Dakota. Hij was half Engelse volbloed, groter en zwaarder gebouwd dan de Surinaamse paarden die we gewend waren. 'Je mag er zoveel op rijden als je wil', zei mijn oom. 'Maar het is een renpaard. Als je erop rijdt, moet je ook zijn jockey worden.'

Natuurlijk stemde ik toe. Jockey worden van een renpaard zou mijn imago een enorme boost kunnen geven. Ik kon echter nog niet zo goed paardrijden. 'Maak je geen zorgen,' zei mijn oom. 'Ik ga je trainen.'

Dakota was bijna drie jaar oud, maar speels als een veulen. Als je met je rug naar hem toe stond, beet hij keihard in je kont. De eerste keer dat ik hem vastbond aan een muur in de manege deinsde hij achteruit en rukte net zolang aan het touw tot de muur instortte. Omstanders lachten, maar ik maakte mij zorgen over de schade. En over zoveel kracht. 

Zijn training werd de zwaarste beproeving van mijn jonge leven. Als ik hem aanspoorde om te galopperen, sprong hij vooruit, kromde zijn rug en trapte naar achteren. Ook kon hij zonder enige aanleiding op zijn achterbenen gaan staan. Een rit op Dakota bevatte een paar terugkerende elementen. Eerst mijn oom die instructies schreeuwde: drijven, houden, zwepen, zitten! Dan de oerkracht die het zadel omhoogstuwde. Vervolgens het moment dat ik loskwam van het zadel en de wereld om mij heen draaide. En uiteindelijk de klap waarmee ik het zand raakte.

Elke keer als ik in het zadel klom tintelden mijn handpalmen en voetzolen van angst. Om mijn imago maakte ik mij allang niet druk meer. Gelukkig was mijn lichaam soepel en jongens van vijftien die vrezen voor hun leven leren snel. Ik leerde mijn zitvlak uit het zadel te lichten als hij bokte en zijn hals te omklemmen als hij steigerde.

Dakota bleek sneller dan de Surinaamse paarden, maar hij had ook meer kwalen. Tijdens het eerste bezoek constateerde de dierenarts drukplekken van het zadel en ontstekingen in zijn hoeven. 'Een renpaard is kwetsbaar,' zei hij. 'Zijn huid is dun en zijn hoeven kunnen niet tegen vocht.' Hij overhandigde mijn oom de medicijnen en gaf een advies dat alles zou veranderden: 'Geef hem minder krachtvoer, want zo is het een bonk dynamiet. Veel te gevaarlijk.'

Daarna kreeg ik Dakota steeds meer onder controle; na een jaar vond mijn oom dat het tijd werd voor onze eerste race. We zouden racen tegen de burus, afstammelingen van Nederlandse boeren die reden op Quarter horses, oftewel Amerikaanse cowboypaarden. De snelste paarden ter wereld op de korte afstand. Het was dan ook nog nooit iemand gelukt om ze te verslaan.

De wedstrijd vond plaats op een bloedhete dag in de droge tijd. Toen ik met Dakota het terrein op reed, was het alsof we een andere wereld binnenstapten. Blanke mannen met cowboyhoeden op. Gespierde paarden die glansden alsof ze net gewassen en gepoetst waren. Blonde kinderen speelden in het zand, hun moeders in bloemetjesjurken bekeken ons nieuwsgierig. Tussen de weilanden met koeien en buff els liep een lange zandweg die als renbaan zou dienen. Langs de weg hadden de boerenfamilies zich geïnstalleerd voor de race. 

Toen ik met Dakota tussen de Quarter horses naar de start stapte, schoot er van alles door mijn hoofd. Op de vijfhonderd meter die we zouden afleggen,was een Quarter horse zelfs sneller dan een Engelse volbloed, en Dakota was maar een halfbloed. Als hij bij de start steigerde of bokte, waren we kansloos. Als ik viel zou iedereen mij uitlachen en het verhaal zou nog jaren in de paardenwereld circuleren.

'Dakota is er klaar voor,' zei mijn oom terwijl hij me bij zich trok en mij strak aankeek. 'Luister: die beesten hier zijn op papier sneller, maar ze zijn veel te dik. Zelfs vijfhonderd meter gaat te veel zijn voor ze.' Hij wees naar een kleine bruine merrie die bereden werd door een jonge man met rood haar dat onder zijn cap vandaan kwam. 'Hij heeft het snelste paard. Blijf zo dicht mogelijk bij hem. Hij gaat sneller starten dan jij, maar je haalt hem in.' Mijn oom was de meest eigenwijze persoon die ik kende, maar ik hoopte dat hij deze ene keer gelijk had. Mijn lot zou in de komende minuten bepaald worden.

Ik zorgde dat ik bij de start naast de merrie stond. Ze zweette en trappelde. De jockey probeerde haar te kalmeren. Af en toe keek hij met een onverschillige blik naar Dakota en mij. Dakota's lichaam trilde alsof het onder stroom stond, maar hij verzette zich niet. Na het startsein voelde ik hem onder mij samenballen en vooruit schieten. De merrie was echter sneller en verdween in een stofwolk voor mij - de zandkorrels schuurden langs mijn gezicht en deden mijn ogen tranen. Ik dook in elkaar, mijn hoofd vlak boven Dakota's hals. Hij denderde onder mij voort, zijn lichaam een verlengstuk van het mijne. Ik zag de achterkant van de merrie in het stof opdoemen en heel langzaam naderden we haar. Toen de jockey Dakota zag naderen, begon hij de merrie met zijn zweep te bewerken. In een meedogenloos ritme haalde hij uit. Ik hield de mijne klaar, maar twijfelde. De vlag die de finish markeerde was niet ver meer en Dakota vloog over het zand – de zweep was niet nodig. Het geluid van de hoeven overstemde alles, de finish naderde razendsnel. Toen we vlak naast elkaar lagen keken de jockey en ik elkaar een moment aan. Ik zag ongeloof in zijn blik en drukte mijn hakken nog één keer tegen Dakota aan. Hij schoot de merrie voorbij alsof ze niet meer vooruit kwam.

Daarna was er slechts de roes van de overwinning. Dakota kletsnat en kokend heet, schuimvlokken op zijn borst. Verbaasde gezichten en felicitaties. Ik veegde het zweet en zand van mijn gezicht.

Vanaf dat moment veranderde er iets. Ik liep met een iets rechtere rug, durfde af en toe een meisje aan te spreken en had niet meer het gevoel dat ik iets te bewijzen had.

En toen gebeurde het. Vanuit het niets. Militairen die zwaarbewapend door de straten reden. Een sergeant, genaamd Bouterse, verklaarde op televisie dat het leger de macht had overgenomen. Na de eerste schrik kregen de militairen het voordeel van de twijfel. Langzaam leek het normale leven zich te hervatten.

Ik begon met de studie veeteelt aan de universiteit; fokte snel muterende fruitvliegjes en schreef lange verslagen. Feestelijke paardenraces vonden nu plaats op 1 juli: afschaffing van de slavernij, op 25 november: de dag van de onafhankelijkheid en op 25 februari: de dag van de revolutie. Als Dakota geen last had van zijn hoeven waren we onverslaanbaar.

Twee jaar na de revolutie werden vijftien tegenstanders van het regime door de militairen vermoord. Suriname kwam met een schok tot stilstand en velen vluchtten naar Nederland. Toen de universiteit door de militairen gesloten werd besloot ik ook naar Nederland te vertrekken. Daar schreef ik mij in voor de studie diergeneeskunde. De studie en de winters bleken lang en zwaar, zoals de dierenarts voorspeld had. Ik zou nog vaak terugverlangen naar de dagen dat ik met Dakota over het zand vloog.


Dit is een voorpublicatie uit Onze dieren, een publicatie van De Geus, samengesteld door Rutger Lemm. Meer informatie over deze verhalenbundel, waarin auteurs schrijven over hun kat, hond, konijn of hagedis, vind je hier.

Chris Polanen (1963) is dierenarts in Amsterdam-Zuidoost. De in Suriname geboren en getogen auteur kwam op twintigjarige leeftijd naar Nederland en begon te schrijven om met zijn heimwee naar Suriname om te gaan. Hij schreef columns en korte verhalen die zowel in Suriname als in Nederland verschenen. Bij Lebowski verscheen zijn debuut Waterjager.


Foto: Chris Polanen als vijftienjarige op zijn paard Dakota


Gepost in: faits divers op 2017-09-21

Door Chris Polanen


Ook van Chris Polanen

De geboorte van een Bijlmer dierenarts

In de winter van 1991 werkte ik als ik pas afgestudeerde dierenarts voor de veeartsen De Haas, de Zeeuw en van den Berg in de streng gereformeerde dorpen Stolwijk en Berg Ambacht, vlakbij Gouda. De boeren hadden nog nooit een Surinamer van dichtbij gezien. Ze vroegen mij of er in Suriname ook koeien waren en of het er in de winter ook koud was. Ze belden mij 's nachts als een bevalling niet wilde vlotten. De meeste schapen en de koeien bevielen ergens tussen elf uur 's avonds en en zes uur 's ochtends, bij een temperatuur onder het vriespunt. Ik had net mijn rijbewijs, veel wegen waren niet verlicht en de dijkjes zo smal dat ik er nauwelijks kon keren. Gelukkig reed ik in die ik in die zes maanden maar een keer de sloot in.


Dierenarts Polanen #5: Een goede klant

Dierendag! Ruim reden om het vijfde verhaal van Chris Polanen over zijn avonturen als dierenarts te delen. Vandaag over zijn goede klant A., die op een dag ver na sluitingstijd langskomt en begint te vertellen over zijn jeugd met een psychopathische moeder, zijn bokscarrière, zijn tijd in het Hongaarse leger, zijn opname op de psychische afdeling van het militaire hospitaal en zijn werk op de Hongaarse markt waarbij hij moest vechten om te overleven...




recente posts

Op reis

Op reis

Sabine van den Berg
Gepost op: 2018-04-26 in: faits divers
Verplaatsen

Verplaatsen

Erik Jan Harmens
Gepost op: 2018-04-26 in: current affairs
Privacy

Privacy

Jonah Falke
Gepost op: 2018-04-26 in: faits divers