Pop en literatuur (66): David Bowie en Anthony Burgess

Pop en literatuur (66): David Bowie en Anthony Burgess

Cor de Jong

Iedere dinsdag zoekt Cor de Jong de connectie tussen pop en literatuur. Deze week deel 66:  David Bowie en Anthony Burgess. 'Zo stoer als je je ook voor wilt doen, uiteindelijk zul je je eigen kwetsbaarheid onder ogen moeten zien.'

Eerder in deze reeks kwam Bowie al eens voorbij, toen met zijn ode aan Nineteen Eighty-Four van George Orwell. Dat is maar een van de vele auteurs aan wie Bowie schatplichtig genoemd mag worden. In deel 40 van deze reeks besprak ik terloops de knipoog van Bowie naar John Osbourne en Oscar Wilde. De cut-uptechniek van William S. Burroughs werd door Bowie ook toegepast, zoals ik al eens aanstipte.

Diezelfde Burroughs, of eigenlijk zijn roman The Wild Boys, was in de zeventiger jaren een van de inspiratiebronnen voor het uiterlijk van Bowies alter ego Ziggy Stardust en zijn begeleidingsband The Spiders From Mars. Hun outfit en haardracht was overigens niet alleen gemodellerd naar deze wilde jongens, maar ook naar de bende van Alex uit A Clockwork Orange, viel te lezen in aflevering 21. De jumpsuits die de band droeg, in combinatie met hoge laarzen, zijn weliswaar behoorlijk flashy tegenover het eenvoudige wit van Alex en zijn maten en ook de jockstrap ontbreekt, maar de overeenkomst is niettemin onmiskenbaar. Dat onderstreepten Bowie c.s. nog eens door de filmmuziek uit A Clockwork Orange te gebruiken als intro bij concerten.

Het boek (Anthony Burgess, 1962) en de film (Stanley Kubrick, 1971) vertellen het verhaal van Alex en zijn bende, die – onder invloed van futuristische drugs zich te buiten gaan aan ‘ultra-violence’: bruut en zinloos geweld. Het verhaal wordt verteld in de ik-persoon en Alex bedient zich daarbij van een merkwaardige straattaal avant-la-lettre, genaamd Nadsat. Het is een samenraapsel van archaïsch Engels, veel Russische woorden en diverse afkortingen. Wie de film kijkt (maar vooral wie het boek leest) moet wennen aan deze taal, maar maakt zich die snel genoeg eigen.

Bowie bediende zich al eventjes van Nadsat ten tijde van Ziggy Stardust, om precies te zijn in ‘Suffragette City’ (1972), waar hij zingt: ‘droogie don't crash here’. Het woord ‘droogie’ betekent ‘vriend’ en komt al in een van de eerste zinnen van het boek voor: ‘There was me, that is Alex, and my three droogs, that is Pete, Georgie and Dim […]’.

Op zijn laatste album grijpt Bowie opnieuw terug naar Nadsat, nu wat uitgebreider, in het nummer ‘Girl Loves Me’. Verschillende woorden in dit nummer zijn te vinden in de verklarende woordenlijst die achterin A Clockwork Orange is opgenomen.

 

David Bowie – Girl Loves Me

 

 

Cheena so sound, so titi up this malchek say

Party up moodge, nanti vellocet round on - Tuesday

Real bad dizzy snatch makin’ all the omeys mad - Thursday

Popo blind to the polly in the hole by - Friday

 

Where the fuck did Monday go?

I'm cold to this pig and pug show

I'm sittin' in the chestnut tree

Who the fuck's gonna mess with me?

 

Girl loves me

(Hey, cheena)

Girl loves me

Girl loves me

(Hey, cheena)

Girl loves me

 

Where the fuck did Monday go?

(Go, go, go, go, go, go, go)

I'm cold to this pig and pug show

(Go, go, go, go, go, go, go, go)

Where the fuck did Monday go?

(Go, go, go, go, go, go, go, go, go)

 

You viddy at the cheena

Choodessny with the red rot

Libbilubbing litso-fitso

Devotchka watch her garbles

Spatchko at the rozz-shop

Split a ded from his deng deng

Viddy viddy at the cheena

 

Girl loves me

(Hey, cheena)

Girl loves me

Girl loves me

(Hey, cheena)

Girl loves me

Girl loves me

(Hey, cheena)

Girl loves me

 

Where the fuck did Monday go?

Where the fuck did Monday go?

Where the fuck did Monday go?

 

Anthony Burgess – A Clockwork Orange

 

 

cheena – woman

malchick – boy

moodge – man

vellocet – drug

pretty polly – money

viddy – to see or look

choodessny – wonderful

rot – mouth

lubbilubbing – making love

litso – face

devotchka – girl

yarbles – testicles

spat – sleep

rozz – policeman

ded – old man

deng – money

 

 


Black Star (2016) was Bowies laatste album, zijn zwanenzang en afscheidsgeschenk aan zijn fans. Het verscheen op zijn 69e verjaardag, enkele dagen voor zijn overlijden. Het album bevat onder andere nummers die Bowie schreef voor de musical Lazarus die hij samen met Ivo van Hove voorbereidde. De link met de Bijbelse figuur Lazarus, die door Jezus werd opgewekt uit de dood, is een van de vele verwijzingen naar het aanstaande einde van Bowie zelf die het album rijk is.

Toch is het album zeker niet een aaneenschakeling van sombere mijmeringen over het aanstaande einde en (on)sterfelijkheid. Net als in de musical waar hij aan werkte, neemt Bowie oudere thema’s en personages uit zijn omvangrijke oeuvre weer op. De musical draait bijvoorbeeld om het personage Thomas Jerome Newton, de hoofdpersoon uit de film The Man Who Fell To Earth (1976), een rol die vertolkt werd door Bowie. Muzikaal doet Black Star denken aan ouder werk, bijvoorbeeld op de minimalistische muziek waar hij eind jaren ’70 mee experimenteerde.

Het is in dat verband dan ook te begrijpen dat hij teruggrijpt op andere elementen uit zijn carrière, zoals de dikke knipoog naar A Clockwork Orange door middel van het gebruik van Nadsat. Toch is het niet bepaald zo dat met de verklarende woordenlijst uit het boek in de hand alle puzzelstukjes in de songtekst op hun plaats vallen.

Het helpt om te weten dat enkele woorden niet uit het Nadsat afkomstig zijn, maar uit het Polari, ook weer een apart taaltje, dat in de jaren ’60 en ‘70 gebruikt werd in de gay-scene. (Voor de liefhebbers: Polari (ook wel Palare) werd ook al eens gebruikt door Morrissey in zijn nummer ‘Piccadilly Palare’). Het woord ‘nanti’ kunnen we bijvoorbeeld lezen als ‘no’ en ‘omeys’ lijkt op ‘omi’, wat ‘man’ betekent. Maar zelfs met die wetenschap is de betekenis van de tekst niet meteen glashelder. Al is het maar omdat Bowie bij verschillende woorden een andere schrijfwijze hanteert, alsof hij opzettelijk verwarring wil stichten.

Grofweg valt te zeggen dat het nummer gaat over feesten, drugsgebruik en geweld en de week die voorbijgaat, waarbij de maandag in het niets verdwenen is. Er lijkt wel iets in te zitten van de jeugdige onbezonnenheid van Alex en zijn vrienden. Tegelijkertijd is er het besef van de tijd die verstrijkt en is er dat meisje dat van de ‘ik’ houdt. De tekst is verwarrend en wat meer is: de hoofdpersoon lijkt zélf verward, zoals blijkt uit de terugkerende vraag ‘where the fuck did Monday go?’ Ironisch genoeg is de woensdag ook in rook opgegaan (we horen er tenminste niets over), zonder dat hij hier een punt van maakt.

‘Where the fuck did Monday go?’ lijkt in eerste instantie de typische vraag van iemand die na een zwaar weekend een dag lang aan het bijkomen is (zoals Alex in A Clockwork Orange). Maar het is ook de vertwijfelde uitroep van iemand die de tijd aan zich voelt ontglippen. Het is verleidelijk om de link te leggen tussen recreatieve drugs en palliatieve medicatie, zoals Bowie die in zijn laatste levensfase zal hebben gekregen.

Blijft over die raadselachtige zin ‘I'm sittin' in the chestnut tree/ Who the fuck's gonna mess with me?’ Het klinkt zo stoer: iemand die niet met zich laat sollen. Maar zo retorisch als deze vraag lijkt is zij misschien niet. Bowie verwijst hier naar die andere roman die zijn werk zo beïnvloed heeft, Nineteen Eighty-Four van George Orwell. In het laatste hoofdstuk van dat boek vinden we de hoofdpersoon, Winston Smith terug in café The Chestnut Tree. Bijna alleen. Hij denkt terug aan zijn geliefde Julia die hij heeft verraden. Hij mijmert over haar woorden:

They can’t get inside you,’ she had said. But they could get inside you.

Winstons opstandigheid wordt de kop ingedrukt. Uiteindelijk moet hij er (letterlijk) aan geloven.

Dat is ook wat Alex ondervindt in A Clockwork Orange. Het is wellicht ook wat de ernstig zieke David Bowie ondervond. Zo stoer als je je ook voor wilt doen, uiteindelijk zul je je eigen kwetsbaarheid onder ogen moeten zien.


Gepost in: faits divers op 2019-07-09

Door Cor de Jong

Cor de Jong (1978) is schrijver, leraar Nederlands en studiebegeleider bij de jeugdopleiding van Sparta Rotterdam. Hij publiceerde al meerdere korte verhalen. De aanname is zijn debuutroman.


Ook van Cor de Jong

Pop en literatuur (67): Arcade Fire en John Kennedy Toole

Iedere dinsdag zoekt Cor de Jong de connectie tussen pop en literatuur. Deze week deel 67: Arcade Fire en John Kennedy Toole. 'Deze neon-bijbel is niet het woord van God, maar een lege huls.'


Pop en literatuur (65): Rush en John Dos Passos

Iedere dinsdag zoekt Cor de Jong de connectie tussen pop en literatuur. Deze week deel 65: Rush en Dos Passos.




recente posts