Manifest: De handwerkers

Manifest: De handwerkers

Ole Thorstensen

De Noorse timmerman Ole Thorstensen (1965) verwierf faam en grote bijval met zijn manifest De handwerkers waarin hij een lans breekt voor vakwerk en de kenniseconomie ter discussie stelt. Hier lees je de kersverse vertaling van Hanneke Wijte.

 

WERK
De werkende samenleving kan in drie klassen worden onderverdeeld: hogere klasse, middenklasse en handwerkers

Ik ben handwerker, een meestertimmerman. Mijn vakkennis vormt het uitgangspunt voor mijn werkzaamheden, maar ik heb ontdekt dat mijn blikveld is vernauwd; door handwerk als zuiver lichamelijk werk te beschouwen, veranderde mijn perspectief. Niet alleen de mensen die zwaar lichamelijk werk verrichten behoren tot de groep van handwerkers. Winkelbedienden, agrariërs, vissers, fabrieksarbeiders, chauffeurs van bezorgdiensten, schoonmakers, koks en de vakman- of vrouw; we voeren allemaal lichamelijk werk uit.
Vroeger verrichtten de meeste mensen in het dagelijks leven handwerk, maar tegenwoordig komt het grootste deel van de bevolking alleen nog met lichamelijk werk in aanraking door licht huishoudelijk werk te doen. Naast die versimpelde huishoudelijke klusjes waar de meeste mensen nog regelmatig mee in aanraking komen, klussen we in Noorwegen heel wat af. Het is aandoenlijk om de glinstering van trots in de ogen te zien van mensen die hun nieuwe woning laten zien. Ze hebben alles zelf gedaan, net als in de reclame; reken maar dat ze dat kunnen.
Maar noch het uitvoeren van huishoudelijke klusjes, noch het oppervlakkig opknappen van een eigen huis geeft een goed beeld van wat ik als vakman doe of wat het betekent om lichamelijk werk te verrichten.
De groep die het verst van de handwerkers afstaat, is de groep van academici – er daarmee bedoel ik iedereen wiens professionele leven is gebaseerd op het bezit van een bachelorsdiploma of meer.
Wat gebeurt er als academici niet begrijpen waar ambachtelijk en lichamelijk werk om draait? Dan benaderen ze het op de academische manier; alsof de academische zienswijze een soort oermethode is die op alle menselijke activiteiten van toepassing is. De opleidingen van ambachtslieden, het Bouwbesluit, economische wetten, zelfs wetten in de breedste zin van het woord en politiek beleid in het algemeen; alles wordt uitgedacht in de hoofden van academici en het moet allemaal gebeuren volgens hun ideeën over wat het beste zou moeten werken. Zíj hebben veel, zo niet alles over ons te zeggen. En dan gaat het niet specifiek over publieke situaties; ook in ons privéleven wordt er voor ons gedacht.

RESPECT

Ik weet hoe het is om aan discussies deel te nemen over algemene onderwerpen als politiek, de samenleving en onze geschiedenis. Het komt dan weleens voor dat een academicus zegt, alsof het een soort compliment is, dat ‘het zonde is dat ik timmerman ben’. Ze hebben kennelijk het idee dat algemene kennis beter bij hun past dan bij mij. Dat het verspilde kennis is als iemand niet hoog genoeg is opgeleid. Ze bedoelen het natuurlijk goed, maar het is een compliment dat naar arrogantie stinkt en het getuigt van onwetendheid en gebrek aan respect. Het respect voor de ambachtelijke beroepen zelf is ook ver te zoeken. Alsof er minder complexe kennis en betrokkenheid voor nodig is dan voor academische beroepen. Sommige beroepen zijn veeleisender dan andere, maar kennis en betrokkenheid zijn een vereiste voor alle soorten werk.
Het idee dat er een niveauverschil bestaat tussen academisch werk enerzijds en ambachtelijk werk anderzijds, wordt versterkt door het cliché dat er vele jaren van studie nodig zijn om werk op academisch niveau te kunnen verrichten. Alsof het om een staat van zijn gaat die moeilijk te evenaren is en daardoor extra waardevol wordt: het Nirwana van de academische kenniseconomie. Op die manier distantiëren de academici zich van de handwerkers en tegelijkertijd wordt er verondersteld dat academisch denken en intellectualiteit hetzelfde zijn.
Ambachtelijk werk is iets anders dan academisch werk, maar het sluit intellectualiteit niet uit.

BELONING

Tjonge, wat een werk zo’n universitaire opleiding! Dat moet natuurlijk worden beloond. En beloond wordt het! Met hogere salarissen, een gezondere werkomgeving, minder arbeidsongevallen, meer kansen op een baan en mogelijkheden om door te groeien (de ladder op, welteverstaan). Tegenwoordig kun je met een hoger salaris, bijvoorbeeld vijftigduizend kronen extra per jaar, een lening voor een bacheloropleiding in ongeveer vijf jaar afbetalen. De rest is mooi meegenomen.
Werkzekerheid is bij academische beroepen veel vanzelfsprekender dan bij ambachtelijk werk. Om het woord ‘ontslagvergoeding’ te kunnen spellen heb je een universitaire opleiding nodig. En door al die hoogwaardige opleidingen accepteren we het ook makkelijker als een vakman zonder werk komt te zitten in plaats van een academicus. Want moet je je voorstellen hoeveel kennis er verloren gaat als een hoogopgeleid persoon zijn baan verliest.
Als iemand uit de academische middenklasse niets presteert, is dat een verlies voor de samenleving. Als een ambachtsman niets presteert, spreken we van een loser.
Dankzij hun opleiding hebben academici langer de tijd om van hun beloning te genieten. Hoe langer de opleiding duurt, hoe meer geld je uiteindelijk verdient en hoe langer je leeft. Gemiddeld leven handwerkers zo’n vijf jaar korter dan hoogopgeleide mensen. Misschien moet er bij de volgende hervorming van het pensioenstelsel rekening worden gehouden met de levensverwachting? Degenen die de samenleving onkosten besparen door statistisch gezien eerder dood te gaan, kunnen dan hun pensioeninleg eerder uitbetaalt krijgen. Is de levensverwachting vijf jaar minder, dan kunnen we in het beperkte aantal jaren dat ons nog rest een soort ‘verwacht pensioen’ krijgen en met iets meer geld van onze welverdiende vrije tijd genieten. Je zou het levensverwachtingscompensatie kunnen noemen.
Zou het niet interessant zijn om te kijken hoeveel mensen hun mastergraad inleveren in ruil voor lichamelijk werk op een bouwplaats of in de schoonmaakploeg van een hotel als iedereen zijn studie volledig vergoed zou krijgen en de loonvoorwaarden gelijk zouden blijven? Ik denk dat niet veel mensen zouden ruilen.

HIËRARCHIE

Verpleegkundigen redden meer levens dan doktersassistenten, maar artsen redden nog meer levens. Reclamemensen zijn in hun werk origineler dan wie dan ook. Een politieagent heeft gevaarlijker werk dan een piloot, maar moet je je voorstellen wat er gebeurt als een vliegtuig neerstort. Leraren verantwoorden hun roep om loonsverhoging door te zeggen dat ze aan onze toekomst werken en om die reden kunnen ze de kinderen naar voren schuiven en zeuren. De ingenieurs hoef ik alleen maar te vermelden. Die zijn allemaal zó belangrijk dat ze het belangrijkst van alles zijn. In de hoogopgeleide klasse vecht iedereen met elkaar, maar in feite wordt de buit eigenlijk onderling verdeeld. Ik herhaal: ze verdienen meer, hun werk is veiliger en ze lopen minder risico op arbeidsongevallen in vergelijking met de handwerkers.
De mensen bovenaan de ladder doen er verstandig aan zich niet in de discussie te mengen, en de meesten doen dat dan ook niet. Zij hebben al gewonnen en hebben om die reden het meeste te verliezen door betrokkenheid te tonen. In deze context is het gewoonweg vreemd dat er door de hogere klasse regelmatig wordt geklaagd dat het onmogelijk is succesvol te zijn in deze maatschappij. De paradox wordt in zekere zin opgehelderd als mensen aan de top onomwonden durven te zeggen dat er te weinig onderling verschil is in onze samenleving. En dat dat jammer is voor bijzondere individuen, omdat die niet genoeg worden beloond.
De Wet van Jante* wordt waar nodig hervormd en wordt ingezet als afleidingsmanoeuvre. De mensen aan de top spreken uit wat de academische middenklasse zelf niet kan, omdat dat vanuit hun ideologische standpunt onacceptabel zou zijn.
Een enkeling zal zeggen dat er een reden is waarom iemand minder verdient, meer risico loopt, minder zekerheden en een kortere levensverwachting heeft; dat het komt doordat iemand bijvoorbeeld niet het juiste geslacht heeft, of de juiste godsdienst of etnische en sociale achtergrond. En als het komt doordat iemand fysiek werk verricht is het kennelijk minder erg. Op die manier verwordt fysiek werk niet tot oorzaak of een sociale handicap, maar is het een resultaat. Lichamelijke arbeid is dus de kwaal op zichzelf geworden.
Er heerst een onuitgesproken consensus dat de klassenmaatschappij ten einde is. Intussen is daar wel enige discussie over, maar de conclusie is altijd dat het dan om uitzonderingen gaat en dat die uitzonderingen logisch en goed te verklaren zijn. Bij deze zogenaamde minderheden is het begrip klasse gefragmenteerd en de afwijkingen van wat men een geslaagd leven noemt worden persoonlijke tekortkomingen en hebben weinig met sociale omstandigheden te maken.
Ik hou ervan om na te denken over het begrip klasse en de discussie af en toe eens flink aan te wakkeren. De werkende samenleving kan in drie klassen worden onderverdeeld: hogere klasse, middenklasse en handwerkers, waar ook degenen onder vallen die ‘niets’ zijn; onze eigen variant van een lage kaste.
Degenen die niets zijn, zijn degenen die in een schaduwlandschap werken waarin arbeidscontracten, Arbowetten en salaris toevallige grootheden zijn. Er zijn ook mensen die door verschillende oorzaken niet deelnemen aan het arbeidsproces, ook al hebben ze op grond van hun leeftijd daar wel het recht toe.
Het is vreemd hoe moeilijk het voor de academische middenklasse is om in te zien wat er nu gaande is. Ze kijken toe en lijken er paradoxaal genoeg zelfs plezier in te scheppen dat de maatschappij achteruitboert, zonder toe te willen geven dat het gebeurt. Op de een of andere manier stijgt de eigenwaarde van mensen als die van anderen daalt. Maar ik hou er niet van als iemand me veren in mijn kont probeert te stoppen door te zeggen dat ik beter ben dan de Poolse timmerman. De ‘Poolse timmerman’ is een begrip op zich geworden, een begrip dat opvallende gelijkenissen vertoont met het begrip ‘Pakistaan’, waar vroeger iedereen met ook maar een beetje een afwijkende huidskleur onder werd geschaard. Ik weiger daar aan mee te doen. Ik heb meer gemeen met mijn Poolse collega dan met zelfgenoegzame Noorse academici.
Een pijnlijk punt in deze hele discussie is dat je jezelf zo makkelijk naar beneden haalt. Je gaat een soort ranglijstjes maken waarop je jezelf op de eerste plek plaatst. Ik, de Pool, de Litouwer, de Pakistaan en helemaal onderaan… de Afrikaan (ook een begrip op zich in deze discussie). Afrikanen hebben daar onder aan de lijst enige concurrentie van de Roma gekregen, maar of dat de situatie nou beter heeft gemaakt? Dit is maar een voorbeeld van een dergelijke ranglijst; we maken ze naar believen en het belangrijkste is dat we onszelf bovenaan de lijst plaatsen.

HET DAGELIJKS LEVEN

Vaak hoor ik gezeur aan over onsmakelijk kantinevoer, te warme kantoorruimtes, slechte bureaustoelen en muisarmen. En de meest gehoorde klacht: dat sommige collega’s op het werk zo dom zijn, zo slecht. Ik kan me nauwelijks iets voorstellen bij dat soort horrorverhalen. Tenzij ik denk aan die keren dat ik bij min twintig aan het werk was en naar mijn Poolse collega keek, die er een beetje verkleumd uitzag en zijn vingers probeerde warm te krijgen.
Mijn hoogopgeleide medeburger vindt dus dat hij meer verdient in vergelijking met mij. Om uit te kunnen rekenen hoeveel hij in vergelijking met mijn Poolse collega zou moeten verdienen, heeft hij zijn universitaire opleiding nodig.

DE NIEUWE OLIE

Ik heb respect voor onderwijs en academische kennis, maar waar valt de nieuwe olie onder, de nieuwe bron van energie waar iedereen in Noorwegen zo naarstig naar op zoek is? Het antwoord op deze vraag wijst meestal in de richting van de ‘kenniseconomie’, maar de handwerkers worden bijna nooit genoemd in deze context. Zijn we onderdeel van de vernieuwing of vooral een blok aan het been van hoogopgeleide mensen? En waar verwijst het begrip ‘kenniseconomie’ eigenlijk naar?
We hebben tegenwoordig beroepsopleidingen waar de meeste vakmensen niet van onder de indruk zijn. Voor steeds meer mensen die zo’n opleiding volgen, pakt het niet goed uit. Mensen haken af en voor degenen die de opleiding wel voltooien, draait het maar om één ding: de opleiding voltooien, ervan af zijn. Maar weinig timmerlui scheppen na hun opleiding op over alles wat ze op school hebben geleerd.
Het onderwijs lijkt te zijn gebaseerd op het idee dat het vakmanschap dat bij praktisch werk komt kijken op intellectueel en vakinhoudelijk niveau niet goed genoeg is en dat die kennis niet verder kan worden uitgebreid. Iedereen moet de sleutel van het academische paradijs hebben; het lijkt wel alsof het allerbelangrijkste is dat mensen wordt ingeprent dat ze vooral geen praktisch beroep moeten kiezen, maar beter een universitaire opleiding kunnen volgen.
De natuurlijke lesmethodes voor praktische beroepen verschillen wezenlijk van de academische methodes, maar toch is het onderwijs voor die beroepen tegenwoordig geschoeid op een academische leest. Opleidingen worden getheoretiseerd op een manier die is afgeleid van de academische basisvorm. Als die manier je niet ligt en je haakt af dan wordt er gezegd dat je schoolmoe bent.
Maar schoolmoe zijn is niet hetzelfde als leermoe zijn. Voor handwerkers zou het het beste zijn als hun opleiding is toegespitst op het werk dat ze later gaan uitvoeren, maar het praktische gedeelte krijgt op school maar weinig aandacht.
Je zou zelfs kunnen stellen dat onze praktische manier van denken een positieve bijdrage levert aan de samenleving in het algemeen en het onderwijs in het bijzonder; dat het meerwaarde heeft naast het zuiver academische en economische gedachtegoed.

ADVISEURS EN GELDWOLVEN

Mijn dagelijkse werkzaamheden worden voor een groot deel bepaald door mijn hoogopgeleide medeburgers. Een voorbeeld uit de praktijk: om een kale zolder bewoonbaar te kunnen maken, moet de ruimte brandveilig worden gemaakt. Je hebt daar de hulp van een adviseur brandveiligheid en een onafhankelijke controleur voor nodig, wat een slordige vijftigduizend kronen kost. De brandveilige muur die moet worden geplaatst heeft een afmeting van circa vijf vierkante meter, de rest van de klus is eenvoudig en goed uit te voeren en alle technische principes staan beschreven in de bouwvoorschriften van het Bouwbesluit. De oplossing die de adviseur voorstelt is echter gecompliceerd en duurder dan strikt noodzakelijk. Het voorstel van een vakman volgt de regelgeving en is voordeliger, maar toch moet ik het advies van de adviseur opvolgen omdat alleen hij het bij een officiële geleerde kan indienen die de aanvraag controleert en goedkeurt. Om een beter beeld te geven: de reële kostprijs van dit maatwerk bedraagt ongeveer twintigduizend kronen.
Door deze constructie wordt de klant op kosten gejaagd, maar het heeft ook consequenties voor de vakman. Onze expertise wordt over het hoofd gezien en ondergewaardeerd en het wordt daardoor steeds minder interessant om die expertise te hebben. Bovendien is het duidelijk dat het loont om met de regels te sjoemelen, aangezien werken volgens de regels maar duur en ingewikkeld is. Voor een aannemer zijn de consequenties groot, maar voor de brandveiligheidsadviseur, de ambtenaar en de geldwolf werkt het systeem prima; zij zijn juist verzekerd van werk. Vooral voor kleine bedrijven is het moeilijk om alle eisen op te volgen als alles volgens het boekje moet verlopen. En het zijn niet de bouwtechnische eisen die lastig zijn, maar de bureaucratische eisen. Zou het niet mogelijk zijn dat ingenieurs zinnigere dingen doen in plaats van dit onnodige en geestdodende werk en dat de geldwolven nuttig werk gaan verrichten en daardoor iets voor de samenleving kunnen betekenen? Echt deskundig vakmanschap kan worden gewaardeerd en beloond door middel van een redelijke wetgeving die door ambtenaren met praktijkervaring kan worden gehandhaafd.

CONCURRENTIE

Ambachtelijke bedrijven moeten meerdere offertes maken en concurreren met bedrijven die hun activiteiten baseren op een werknemersbeleid en een financieel beleid waar ze zelf niet mee kunnen of willen concurreren. Je moet er eerst achter zien te komen hoeveel andere bedrijven een offerte maken en welke bedrijven dat zijn. Als je met negen andere bedrijven meedingt naar een klus heb je vrij weinig kans. Als er bedrijven bij zitten die op een onprofessionele manier worden gerund, heb je ook vrij weinig kans. Op die manier is het zelfs mogelijk om in goede tijden failliet te gaan. Je rekent je een ongeluk aan offertes voor opdrachten die je nooit krijgt, en als je ze al krijgt, moet je het ergste verwachten.
De laatste akte van dit maatschappelijke treurspel bestaat uit de globalisering van de wereld. In dit verband betekent het dat we kwaliteit inwisselen voor kwantiteit. De exploitatie van de bouwsector in ons land is te vergelijken met een gematigde versie van hoe de voorbereidingen voor het WK voetbal in Qatar verlopen.
In de ambachtelijke wereld heeft de roep om flexibiliteit ertoe geleid dat er op grote schaal gebruik wordt gemaakt van geïmporteerde arbeid, uitzendbureaus, tijdelijke functies en onderaannemers. Voor veel mensen doet het dagelijkse werk denken aan een tekenoefeningetje in de Donald Duck. Verbind de punten met elkaar en ontdek voor wie je werkt. Opdrachtgever, uitzendbureau, onderaannemer, hoofdaannemer, aanbesteder. Dit is slechts een vereenvoudigde weergave van de constructies die je in het echte leven tegenkomt. En dan is er nog geen rekening gehouden met de afspraken betreffende de werknemers of de contractuele relaties tussen bedrijven; die maken de constructies nog veel ingewikkelder.
Al het ambachtelijke werk is gebaseerd op eerlijke commerciële concurrentie, het zit in het DNA van iedere ambachtsman die een bedrijf runt. Dat is prima, maar wat er nu gebeurt is een teloorgang van de spelregels. Het is bijna onmogelijk om er op een normale manier mee om te gaan als we van onze gebruikelijke ethische, morele en praktische waarden uitgaan.
Kleine ambachtelijke bedrijven zijn zeer waardevol voor de ontwikkeling van goede vakmensen. Maar dit soort veelzijdige, goede bedrijfjes, waar de meeste bekwame vaklieden worden opgeleid, verdwijnt snel. Veel bedrijfjes stoppen er simpelweg mee. Andere specialiseren zich om te kunnen overleven; ze beperken de diensten die ze aanbieden. Op die manier gaan veel van de beste opleidingsplekken verloren.
Wil je iets laten maken door traditionele, degelijke vaklui, dan is nu het moment. Over vijftien jaar zal het lastig zijn om een gekwalificeerde handwerker te vinden die het werk op een degelijke manier kan doen.
Als we nu goede vaklieden opleiden, zijn ze over vijftien jaar op hun best en kunnen ze de volgende generatie opleiden.
Wat er nu gebeurt, zal dus van grote invloed zijn op het werk ver in de toekomst en het is moeilijk te corrigeren.
Voor mij is het wel duidelijk dat wetenschappers een dergelijke druk op scholing, lonen en arbeidsomstandigheden nooit zouden aanvaarden. Ik kan me nauwelijks voorstellen dat de gemiddelde academicus het volgende antwoord op zijn klaagzang over een muisarm zou accepteren: ‘Tja, dat is niet best, maar je moest eens weten wat voor muisarm ze in Krakau krijgen! Je mag wel van geluk spreken. En trouwens, je salaris gaat het komende jaar naar beneden, net als bij iedereen. En dan nog iets anders: buiten staat een hele horde mensen te trappelen die met alle plezier jouw werk voor veertig procent minder wil doen; in het land waar ze vandaan komen is dat nog altijd twee tot drie jaarsalarissen. We kunnen die mensen inhuren wanneer we willen.

Wat valt er nog te zeggen? Wat er op dit moment gaande is met ambachtelijk werk is maar het topje van de ijsberg en ik kan me alleen maar een voorstelling maken van hoe het er lager in de hiërarchie aan toegaat. De mensen die ‘niets’ zijn, die geen status hebben in de werkende samenleving, betalen de hoogste prijs. Dankzij hun bestaan zijn ze belangrijk om ons allemaal tevreden te houden. Die tevredenheid zou in deze context zeer beperkt moeten zijn, maar onze cultuur is dommer en egoïstischer geworden en onze waarden zijn op dezelfde manier veranderd. Het deel van de bevolking dat daar de meeste schuld aan heeft, op grond van hun aantal, hun posities, hun onwetendheid en hun egoïsme, is de hoogopgeleide middenklasse.
Als handwerkers wordt gevraagd wat voor werk ze hebben, kunnen ze nog weleens antwoorden: ‘Ik ben maar een timmerman. Ik ben maar schoonmaker. Ik werk gewoon in een winkel.’ Dit soort antwoorden past uitstekend bij elke behoefte aan ondergeschiktheid ten opzichte van de hoogopgeleide vragensteller. Het laat zien dat iemand weet welke plaats hij inneemt in de rangorde en dat hij het nodige respect heeft voor de moderne variant van de edelman. Geen opleiding volgen aan een hogeschool of een universiteit, staat gelijk aan het verspillen van je capaciteiten.
Welkom in de kennismaatschappij.

Ole Thorstensen – Timmerman

De Noorse timmerman Ole Thorstensen (1965) verwierf faam en grote bijval met zijn manifest De handwerkers waarin hij een lans breekt voor vakwerk en de kenniseconomie ter discussie stelt. Dagboek van een timmerman,​ verschenen bij Lebowski, is Thorstensens debuut en beschrijft de zware werkdagen van de ambachtsman, maar ook zijn grote liefde voor het vak.


* De Wet van Jante (Janteloven) is een gedragscode bestaande uit tien regels, waarmee de Deens-Noorse schrijver Aksel Sandemose (1899–1965) de in zijn ogen typische bekrompenheid van de Scandinavische mentaliteit beschreef. Grondgedachte van de Wet van Jante is: je mag je kop niet boven het maaiveld uitsteken.
 


Gepost in: faits divers op 2017-01-13

Door Ole Thorstensen


Ook van Ole Thorstensen

Voorpublicatie Dagboek van een timmerman

Ik ben een houtbewerker in het bezit van een gezeldiploma en een meesterdiploma. Ik word ook wel timmerman genoemd.




recente posts