Madeleine

Madeleine

Jonah Falke

Mijn grootmoeder belde terwijl ik in de stationshal van Gare Du Nord zat te wachten op de trein naar Amsterdam.

Ze zei: ‘Wat klinkt je telefoon oud, ben je ver weg?’

Ik vertelde waar ik was en zei: ‘Jij bent vroeger ook in Parijs geweest.’

‘Wat goed dat jij alles nog weet. Ik was het allemaal vergeten.’
 


Deze column is ook te beluisteren, ingesproken door Jonah Falke zelf.

Ik vertelde haar een verhaal dat ze me zelf eens had verteld.
Met mijn grootvader reisde ze eind jaren tachtig naar Rome, per bus. Ze maakten een tussenstop in Parijs.
In elke grote stad arriveren constant bussen vol toeristen. Wie zijn die mensen en wat zien ze als ze een stad binnen rijden?
Mijn grootouders zaten dus in zo’n bus. Terwijl ze Parijs in reden zei de reisleider dat er opgepast moest worden voor zakkenrollers en bedelaars, hoe aardig of geloofwaardig de mensen ook leken.
Toen mijn grootmoeder de bus uit stapte, kwam er een meisje op haar af. Ze had geen geld voor een terugreis. Mijn grootvader begon te steigeren, mijn grootmoeder gaf het meisje geld voor de reis en een beetje extra.
Het meisje stuurde het geleende geld later terug en schreef mijn grootmoeder een brief waar dankbaarheid uit bleek.

‘Wat goed dat jij dat nog weet,’ zei ze. Ik bevond me op dat moment in een lounge met airco in de stationshal. De muren van de lounge waren van glas en alle geluiden werden gedempt door de vloerbedekking. Heel zacht was laffe loungemuziek te horen. Om me heen, door de hal, liepen mensen met koffers en anderen drentelden rond, op zoek naar een sigaret of wat kleingeld. Het voelde als een glazen bubbel.
Mijn grootmoeder zei: ‘Ook als het meisje dat geld niet terug had betaald, wat maakt dat uit? Het was toch zeker mijn geld? De mensen zijn zo egoïstisch.’

Terwijl ik luisterde naar mijn grootmoeder die iets verstandigs preekte, keek ik naar de mensen aan de andere kant van het glas. Ik realiseerde me dat ik de afgelopen week – op een paar onvriendelijke obers na – met niemand in deze miljoenenstad had gesproken.De hele week was ik verbleven in een klein appartement. Als je op je tenen ging staan kon je door het dakraam een puntje van de Madeleine zien. De Madeleine kende ik uit de roman Vlucht zonder einde van Joseph Roth.

Het boek eindigt met de woorden:

‘…tweeëndertig jaar oud, gezond en fris, een jonge, sterke man met vele talenten, op het plein voor de Madeleine, midden in de hoofdstad van de wereld, en hij wist niet wat hij moest doen. Hij had geen beroep, geen liefde, geen begeerte, geen hoop, geen eerzucht en zelfs geen egoïsme.
Niemand in de wereld was zo overbodig als hij.’

De Madeleine ziet er van buiten uit als een Griekse tempel maar is van binnen een kerk. Als de Madeleine een kerk is, dan kan een glazen lounge met airco op het station dat ook zijn of anders zeker worden.

De mensen die in de stationshal liepen leken me allesbehalve overbodig.


Gepost in: proza op 2017-06-01

Door Jonah Falke

Jonah Falke (1991) werd geboren in Ulft en studeerde fine art painting aan ArtEZ, Enschede. Hij exposeerde in binnen- en buitenland en maakte als frontman van de band Villa Zeno de plaat Self Made Woman. In 2016 verscheen zijn debuutroman Bontebrug. Hij schreef voor Vrij Nederland, See All This, ELLE, HP/De Tijd en VPRO Nooit meer slapen en is vaste columnist bij de Gelderlander en op het Lebowski Blog.


Ook van Jonah Falke

De wereld van gisteren

Vannacht ben ik te gast bij Nooit Meer Slapen op Radio 1 om te praten over mijn nieuwe roman De mooiste vrouw van de wereld, en wie weet wat nog meer. Een redacteur vroeg me om drie audiofragmenten uit te kiezen voor de uitzending. Het eerste waaraan ik dacht was een man die op de radio, ik denk dat het vorig jaar was, sprak over zijn favoriete boek: De wereld van gisteren van Stefan Zweig. Ik zocht me een ongeluk maar zonder succes. Ik koos andere fragmenten.


Tuymans

Onlangs gaf iemand me het recent verschenen boek Tuymans volgens Tuymans over de wereldberoemde Belgische schilder Luc Tuymans. Ze zei: ‘Het boek is gesigneerd, het schijnt erg grappig te zijn.’
‘Maar dat is toch een hele ernstige, humorloze man?’ vroeg ik.
Ze haalde haar schouders op. Ik keek naar de handtekening. De slordige krabbel had van iedereen kunnen zijn.




recente posts