Het kartel (voorpublicatie)

Het kartel (voorpublicatie)

Don Winslow

Metropolitan Correctional Center
San Diego, Californië
2004

De dag van de gevangene begint vroeg.
 

Adán Barrera wordt om zes uur ’s ochtends gewekt door een geautomatiseerde toeter. Als hij deel zou hebben uitgemaakt van de gewone gevangenisbevolking en hij zich niet in beschermende bewaring zou bevinden, dan zou hij zich om kwart over zes begeven naar de eetzaal voor het ontbijt. In plaats daarvan schuiven de bewakers een dienblad met koude pap en een plastic bekertje waterige jus d’orange door het luikje in de deur van zijn cel, een kooi van nog geen vier bij twee meter in de speciale afdeling op de bovenste verdieping van de federale penitentiaire inrichting in het centrum van San Diego, een cel waarin Adán Barrera nu al ruim een jaar lang drieëntwintig uur per etmaal heeft doorgebracht.

De cel heeft geen raam, maar als dat wel zou was, dan zou hij de bruine heuvels van Tijuana kunnen zien, de stad waar hij ooit als een vorst over heerste. Zo dichtbij, net over de grens, een paar kilometer over de weg, over het water zelfs nog minder, en toch een heel universum verderop.

Het maakt Adán niet uit dat hij niet samen kan eten met de andere gevangenen – hun gesprekken zijn stompzinnig en de dreiging is reëel. Er zijn veel mensen die hem dood willen – in Tijuana, in heel Mexico, zelfs in de States.

Deels uit wraak, deels uit angst.

Adán Barrera ziet er niet angstaanjagend uit. Met zijn een meter zevenenzestig is hij klein van gestalte en bovendien tenger; hij heeft nog steeds een jongensachtig gezicht dat goed past bij zijn vriendelijke bruine ogen. Eerder dan een dreiging lijkt hij een potentieel slachtoffer, iemand die in de gewone gevangenispopulatie binnen tien tellen verkracht zou worden. Als je hem zo ziet, valt het nauwelijks te geloven dat hij gedurende zijn leven opdracht heeft gegeven tot honderden moorden, dat hij een multimiljardair was, een man met meer macht dan de president van menig land.

Voor zijn val was Adán Barrera ‘El Señor de Los Cielos’, ‘De Heer van de Hemelen’, de machtigste drugspatrón in de hele wereld, de man die de Mexicaanse kartels verenigde onder zijn leiding, het bevel voerde over duizenden mannen en vrouwen, invloed uitoefende op regeringen en economieën.

Hij bezat landhuizen, landgoederen en privévliegtuigen.

Nu beschikt hij over 290 dollar, het maximale tegoed op de gevangenisrekening, waaruit hij kan putten om scheerschuim te kopen, Coca-Cola en ramen noedels. Hij heeft een deken, twee lakens en een handdoek. In plaats van zijn zwarte maatpakken draagt hij nu een oranje jumpsuit, een wit T-shirt en een potsierlijk paar zwarte Crocs. Hij bezit twee paar witte sokken en twee Jockey-onderbroeken. Hij zit alleen in een kooi, eet de rommel die hem op een blad wordt toegeschoven en wacht op een showproces dat hem voor de rest van zijn leven naar een andere levende hel zal sturen. Om precies te zijn diverse levens, want onder de ‘kingpin statutes’, de speciale wetgeving voor drugsbazen, staat hem een vonnis van diverse keren levenslang te wachten. De Amerikaanse aanklagers hebben geprobeerd hem te ‘keren’, een infiltrant van hem te maken, maar dat heeft hij geweigerd. Een infiltrant – een dedo, een soplón – is de laagste vorm van menselijk leven, een wezen dat niet verdient te leven. Adán heeft zijn eigen erecode – hij zou liever sterven, of deze levende dood verdragen, dan zich te verlagen tot een dergelijk beest.

Hij is vijftig – in het beste geval, en daar is weinig kans op, krijgt hij dertig jaar. Zelfs met aftrek van voorarrest zal hij in de zeventig zijn voor hij weer naar buiten wandelt.

Waarschijnlijker is dat hij naar buiten zal worden gedragen, in een kist.

De voorbereidingen op het proces slepen zich eindeloos voort.

Na het ontbijt maakt hij zijn cel schoon voor de inspectie om halfacht. Van nature is hij op bijna dwangmatige wijze ordelijk, dus houdt hij zijn leefruimte vanzelf al schoon en netjes – dat is een van de weinige vormen van comfort die hij nog geniet.
Om acht uur beginnen de bewakers met de ochtendtelling van de gevangenen en dat duurt ongeveer een uur. Daarna is hij vrij tot halfelf, wanneer ze de lunch door de deur schuiven: een broodje met boterhamworst en wat appelsap. Hij heeft ‘vrijetijdsactiviteiten’ – in zijn geval lezen of een tukje doen – tot halfeen, wanneer er opnieuw een telling volgt. Dan is er weer drieënhalf uur verveling, tot de volgende telling om vier uur.

Het diner – ‘raadselvlees’ met aardappels of rijst en wat doorgekookte groenten – vindt plaats om halfvijf, waarna hij ‘vrij’ is tot kwart over negen, want dan gaan de bewakers opnieuw tellen.

Om halfelf gaan de lichten uit.

Eén uur per dag – het tijdstip varieert uit angst voor sluipschutters – voeren de bewakers hem in de handboeien naar een met prikkeldraad omheind plekje op het dak waar hij frisse lucht kan inademen en een ‘wandeling’ kan maken. Elke drie dagen nemen ze hem mee voor een douche van tien minuten: het water is soms lauw, meestal koud. Soms gaat hij naar een klein spreekkamertje om te overleggen met zijn advocaat.

Hij zit in zijn cel en vult zijn boodschappenlijstje in op het bestelformulier – een kartonnetje van zes flessen mineraalwater, ramen noedels, havermoutkoekjes – wanneer de bewaker de deur opendoet. ‘Advocatenbezoek.’

‘Dat lijkt me sterk,’ zegt Adán. ‘Ik heb geen afspraak.’

De bewaker trekt zijn schouders op – hij doet wat hem gezegd wordt.
Adán buigt voorover en drukt zijn handen tegen de muur van de cel, terwijl de bewaker zijn enkels in de boeien slaat. Een zinloze vernedering, denkt Adán, maar dat is vermoedelijk juist precies de bedoeling. Ze stappen een lift in en gaan naar de derde verdieping waar de bewaker de deur openmaakt en Adán binnenlaat in een spreekkamertje. Hij maakt Adáns enkels los, maar ketent hem vervolgens vast aan de stoel, die vastgeschroefd staat aan de vloer. Adáns advocaat staat aan de andere kant van de tafel. Een enkele blik op Ben Tompkins leert Adán dat er iets goed mis is.

‘Het gaat om Gloria,’ zegt Tompkins.

Adán weet al wat Tompkins gaat zeggen voor hij het gezegd heeft.

Zijn dochter is dood.

Gloria is geboren met lymphangioma cysticum, een vervorming van hoofd, gezicht en hals: een dodelijke en ongeneeslijke ziekte. Met al zijn macht en al zijn miljoenen was Adán niet in staat een normaal leven te kopen voor zijn dochter.
Iets meer dan vier jaar geleden ging Gloria’s gezondheid plotseling snel achteruit. Met Adáns instemming bracht zijn toenmalige echtgenote Lucia, een Amerikaans staatsburger, hun twaalfjarige dochter naar de Scripps-kliniek in San Diego, waar de beste specialisten van de wereld beschikbaar waren. Een maand later belde Lucía hem in zijn safehouse in Mexico. Kom nu, zei ze. Ze zeggen dat ze nog maar een daar dagen heeft, misschien slechts uren...

Adán smokkelde zichzelf – precies als het product waar hij in handelde – de grens over, in de kofferbak van een speciaal daarvoor aangepaste auto.

Art Keller stond hem al op te wachten, op de parkeerplaats van het ziekenhuis.

‘Mijn dochter,’ zei Adán.

‘Het gaat goed met haar,’ antwoordde Keller. Toen stak de DEA-agent een naald in Adáns nek en werd de wereld zwart.

Ze waren ooit bevriend, hij en Art Keller.

Moeilijk te geloven, maar dat is vaak het geval met de waarheid.

Maar dat was een heel ander leven, een heel andere wereld, in feite.

Dat was toen Adán (is het wel mogelijk ooit zo jong te zijn geweest?) twintig was, studeerde voor accountant en droomde van een loopbaan als bokspromotor (Dios mí­o, die dwaze ambities van de jeugd) en nog nooit had overwogen zich aan te sluiten bij zijn oom in de pista secreta – de destijds florerende drugshandel in de papavervelden van hun Sinaloabergen.

Toen kwamen de Amerikanen, en met hen Art Keller – idealistisch, energiek, ambitieus – een ware gelovige van de oorlog tegen drugs. Hij liep de sportschool binnen die Adán op dat moment runde met zijn broer Raúl, sparde een paar rondjes, en zo raakten ze bevriend. Adán stelde hem voor aan zijn oom, destijds de topsmeris in Sinaloa en tevens de op één na grootste gomero – opiumteler.
Keller was nog zo naïef op dat moment. Hij was bekend met de eerste rol van Tú, maar verkeerde in zalige onwetendheid over de tweede (een opmerkelijke eigenschap van Amerikanen, zo gevaarlijk voor henzelf en voor iedereen die zich binnen het bereik van hun altijd loszittende wapens bevindt).

Tú gebruikte hem. In alle eerlijkheid moest Adán toegeven dat Tú van Keller zijn marionet had gemaakt, hij wist hem zo te manipuleren dat hij de bovenste laag van de gomeros uitschakelde, en zo de weg vrijmaakte voor de opkomst van Tú.
Keller kon hem dat nooit vergeven – dat verraad van zijn idealen. Neem de loyale zijn loyaliteit af, de gelovige zijn geloof, en wat hou je over? Je meest verbitterde vijand.

Nu al, más o menos, dertig jaar.

Dertig jaar van oorlog, verraad, moord.

Dertig jaar van doden…

Zijn oom.

Zijn broer.

Nu zijn dochter.

Gloria was in haar slaap overleden, haar adem afgesneden door het gewicht van haar zware, misvormde hoofd. Gestorven zonder dat ik erbij was, denkt Adán.

En daar geeft hij Keller de schuld van.

De begrafenis zal plaatsvinden in San Diego.

‘Ik ga erheen,’ zegt Adán.

‘Adán...’

‘Zorg dat je het voor elkaar krijgt.’

 

Lees meer over Don Winslow op zijn website, en over de Nederlandse vertaling op de website van Lebowski.


Gepost in: faits divers op 2016-04-11