De kleine catastrofe die opvoeding heet

De kleine catastrofe die opvoeding heet

Arnon Grunberg

In zijn mooie en melancholische Oostende, de zomer van 1936 beschrijft Mark Schaevers hoe een aantal exilauteurs in 1936 om elkaar heen cirkelt in Oostende. Joseph Roth uiteraard, Stefan Zweig, Ernst Toller, Egon Erwin Kisch, Hermann Kesten en Irmgard Keun, een van de weinige niet-Joodse exilauteurs daar in Oostende en ook van de weinigen die niet de hand aan zichzelf zou slaan.

Bij herlezing vroeg ik me af of deze schrijvers, uitgevers, journalisten en activisten de catastrofe van het nazisme nodig hadden om ten onder te gaan. Dat klinkt allicht cynischer dan ik het bedoel. De catastrofe zat al in hen, lang voor het Derde Rijk zijn moordmachines op volle toeren liet draaien.
Schaevers geeft Keun een muze voor Kind van alle landen – in zijn boek heet het nog Kinderen zonder land, zoals het ooit bij Querido in 1939 in de vertaling van Alice van Nahuys is verschenen –, een kindervriend van de ‘razende reporter’ Egon Erwin Kisch, een Berlijns jongetje, een vluchteling, een kind dat vloeiend Frans spreekt en zich verbazingwekkend goed redt. ‘Voor hem bestaat het verleden nauwelijks. Hij weigert heimwee naar Berlijn te voelen,’ schrijft Schaevers.
Kully, het kind dat aan het woord is in Kind van alle landen, weigert ook heimwee te voelen en spreekt naar eigen zeggen ook aardig Frans, al kent ze nog niet de betekenis van alle woorden. Kully accepteert haar ongewone leven met een vanzelfsprekendheid die alleen kinderen en sommige volwassenen is gegeven.
De toon wordt al in de eerste alinea’s gezet als Keun schrijft, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is: ‘Ons laat hij als onderpand achter: mijn vader zegt dat wij een hogere pandwaarde hebben dan diamanten of bont.’
Het is de stelselmatige weigering van Kully om een oordeel te vellen waaraan het boek zijn kracht ontleent. Zelfs over Hitler wordt het oordeel uitgesteld. ‘Als ik volwassen ben hoor ik wel wat er niet aan hem deugt,’ zegt ze.
Juist door Kully’s acceptatie, haar overgave, wordt de lezer verleid zijn eigen oordelen te vellen – en dikwijls ook te herzien. Getuigt Kully’s overlevingsstrategie niet van wijsheid?
Op de achtergrond speelt de grote catastrofe – de lezer is volwassen en de geschiedenis heeft een oordeel over Hitler geveld – maar Kind van alle landen gaat vooral over de kleine catastrofe die opvoeding heet.
Peter, de vader van Kully, is journalist en schrijver, die voortdurend in geldnood verkeert en er niet tegen opziet vrouw en kind als onderpand achter te laten in hotels om onbetaalde rekeningen nog iets langer onbetaald te kunnen laten. Zijn eigen consumptiegedrag mag daar niet onder lijden; eten doet hij weliswaar nauwelijks, maar drinken des te meer. ‘Mijn vader at kaviaar, dat lust ik niet want dat smaakt naar vis, en dronk twee flessen champagne. Toen voelde hij zich weer een stuk beter,’ schrijft Keun.
Deze vader herinnert de lezer aan Joseph Roth – met wie Keun een affaire had – zoals wij die kennen uit zijn brieven en biografieën; zijn talent en zijn belangstelling voor zelfdestructie waren even groot. Het is verleidelijk te speculeren of Roth nog betere boeken had geschreven als de geldnood hem iets minder tot haast had gedwongen, maar Peter uit Kind van alle landen komt nauwelijks meer aan schrijven toe. Wat dat betreft is dit boek slapstick. De vader speelt balletje balletje met uitgevers en andere geldschieters; een manuscript is er niet, maar het zou ieder moment kunnen opduiken.
Het kind ziet dit allemaal aan met begrip en geduld: ‘Mijn vader schrijft om ons te onderhouden. In Oostende heeft hij een nieuw boek geschreven, maar het kwam niet af omdat we zoveel zorgen hadden.’
Anders dan de lezer gewend is als het gaat om opvoeding en ouders is dit boek geen afrekening maar een apologie. Het kind vergeeft; de rampspoed die haar ten deel is gevallen in de vorm van dergelijke ouders (over de moeder zo meer) wordt niet alleen geaccepteerd, maar zelfs verdedigd. Geen betere ouders had ze zich kunnen wensen – wat dat betreft lijkt ze een beetje op Candide uit Voltaires gelijknamige novelle. Welke rampspoed haar ook ten deel valt, ze lijkt vast te houden aan het geloof in de best mogelijke van alle werelden te leven. Anders dan bij Voltaire wordt dit idee niet ingezet als satire, dus om aan te klagen, het lijkt bij Keun werkelijk te gaan om begrip, misschien zelfs liefde voor het monster dat haar vader is.
De moeder, Annchen, wordt steeds zieker, eenzamer, en ook nog zwanger. Bijna zou ze een minnaar nemen, maar daar deinst ze op het laatste moment voor terug, ze houdt te veel van Peter. Ze accepteert het monster zoals haar kind de realiteit accepteert. En de vader zelf verklaart: ‘Als je op een vulkaan leeft, krijg je het warm, de onverschilligheid begint te koken en wordt dan ineens weer liefde.’
Misschien is dat wat Keun stelt, het zijn ook de omstandigheden die het monster tot monster hebben gemaakt. De catastrofe mag in deze schrijvers hebben gezeten zoals een slang in de mand, maar er is een slangenbezweerder nodig om de slang uit de mand te halen. Tegen Roth-biograaf David Bronsen (ik citeer wederom uit het boek van Schaevers) zegt Keun: ‘Roth was eropuit een mens uit elkaar te halen en opnieuw samen te stellen, om de verschillende onderdelen met huid en haar te bezitten. Hij wilde mensen beheersen, zijn hypnotische krachten op hen uitproberen. Had hij zijn doel bereikt, dan verloor hij zijn belangstelling voor hen.’
Zo had ze ook over Kully’s vader kunnen spreken.
Een andere Roth-biograaf, Wilhelm von Sternburg, benadrukt de ziekelijke jaloezie van Roth die de verhouding tussen hem en Keun kenmerkte. Zelf zegt ze ook over die relatie dat de angst voor het alleen zijn hen samenbracht.
Op hoge leeftijd moet Keun de vraag beantwoorden of Roth van haar gehouden heeft. Schaevers citeert haar als volgt: ‘Of hij van mij gehouden heeft, moet je hem zelf vragen, maar hij is natuurlijk een lijk. In ieder geval had hij er alle reden toe.’
Dat laatste moet genoeg zijn: of Peter echt van zijn kind en vrouw heeft gehouden weet hij niet, maar hij had er alle reden toe. Kokende onverschilligheid wordt toch weer liefde. En juist omdat het genoeg is voor Kully zal de lezer niet alleen van Kully houden maar ook van het monster dat haar vader is.

Arnon Grunberg
New York, mei 2016


Gepost in: faits divers op 2016-06-30

Door Arnon Grunberg

Arnon Yasha Yves Grunberg is geboren in Amsterdam in 1971 en werd op zeventienjarige leeftijd van school gestuurd. Op zijn negentiende begon hij een uitgeverij gespecialiseerd in niet-Arische, Duitse literatuur. Zijn eerste roman, Blauwe maandagen, werd bekroond met de Anton Wachterprijs voor het beste debuut en werd vertaald in dertien talen. Hij was toen slechts drieëntwintig jaar oud.
Bij Lebowski verschenen in 2004 De joodse messias (shortlist Gouden Uil en AKO Literatuurprijs) en in 2008 Onze oom (shortlist Libris Literatuurprijs). In 2016 verschijnt op Moederdag de roman Moedervlekken.


Ook van Arnon Grunberg

'Mijn moeder zou heel trots geweest zijn'

Arnon Grunberg verzorgt – samen met de Vlaamse dichteres Charlotte van den Broeck – de openingsspeech op de Frankfurter Buchmesse. ‘Ik zal niet nalaten om iets te zeggen over de wereld, ons huidige Europa en de vluchtelingencrisis. Maar wat kan literatuur helemaal bewerkstelligen?’

 


Werelddominantie

Op 25 augustus jongstleden stelde Nicholas Kristof, columnist voor The New York Times, dat vandaag, tot onze schaamte, Anne Frank een Syrisch meisje is. 
 




recente posts