De goede herder (voorpublicatie)

De goede herder (voorpublicatie)

Gunnar Gunnarsson

Als er een feestelijke dag nadert, dan bereiden mensen zich erop voor, ieder op zijn eigen manier. 
 

Er zijn veel manieren. Ook Benedikt had zijn manier. Die kwam erop neer dat hij aan het begin van de kerstvasten, of als het weer het toeliet, liefst op de adventzondag zelf, van huis ging, rijkelijk voorzien van proviand, schone sokken en diverse paren zelfgenaaide leren schoenen en met een primus in zijn rugzak, een jerrycan petroleum en een flacon brandewijn, om de bergen in te gaan, waar in deze tijd van het jaar alleen de geharde winterse roofvogels, vossen en wat verdwaalde schapen ronddoolden. Juist naar de ronddolende schapen was hij op zoek, schapen die bij de drie vaste ophaalbeurten in het najaar over het hoofd waren gezien: het was zaak dat ze niet doodvroren of verhongerden in het gebergte, omdat niemand zin of moed had om ze op te sporen en thuis te brengen. Het waren ook levende schepselen. In zekere zin voelde hij zich er verantwoordelijk voor. Zijn doel was heel eenvoudig, ze vinden en ze gezond en wel onder dak brengen voordat de grote feestdag zegen zou brengen op aarde en vrede en welbehagen in de harten van de mensen van goede wil.

Op deze adventstocht was Benedikt altijd alleen. Hoewel, alleen? In elk geval waren er geen andere mensen bij. Wel had hij gezelschap van zijn hond en meestal ook van zijn belhamel. Deze hond heette Leo en hij was, zoals Benedikt zei, een echte paus. De hamel luisterde, om zijn uithoudingsvermogen, naar de naam ‘Knoest’.

Dit drietal was al jaren onafscheidelijk op deze expedities en kende elkaar langzamerhand uit en te na, met die diepgaande kennis die misschien alleen onder dieren van zo verschillende soorten bestaat, waar geen greintje eigendunk, eigen bloed, eigen wensen of verlangens de boel in de war schopt of verduistert. Overigens hoorde er nog een vierde im Bunde, het paard Faxe dat helaas te smalle voeten en een te zwaar lijf had om door de diepe hopen losse sneeuw van de vroege wintermaanden te waden en die bovendien niet echt geschikt was om het zoveel inspannende dagen vol te houden op het schrale rantsoen waar de anderen het mee deden. Met gevoelens van gemis en droefheid hadden Benedikt en Leo afscheid van hem genomen, ook al was het maar voor een week. Knoest nam dit gebeuren zoals al het andere stoïcijnser op.

Daar liep nu dit drietal door de winterdag: Leo voorop met zijn tong, ondanks de kou, tevreden uit zijn rechtermondhoek, achter hem Knoest op een onverstoorbaar drafje en als laatste Benedikt die zijn ski’s achter zich aan sleepte. In dit bewoonde gebied onder aan de berg was de sneeuwlaag nog te licht en te los om een man op ski’s te dragen, je moest er doorheen waden en je tenen stoten aan bevroren aardklonten en stenen, nou en of, behoorlijk zwaar om doorheen te zwoegen, maar verder niets bijzonders. Leo was op zijn gewone manier nieuwsgierig naar alles, in zijn nopjes. Bij momenten hield hij het niet meer, moest hij lucht hebben, ging op de loop zodat de sneeuw Benedikt in het gezicht stoof, hij blafte naar hem, sprong tegen hem op en wilde geprezen worden en geaaid.

Ja, je bent een echte paus, zei Benedikt dan, dat was zijn koosnaam voor zijn vriend, en uit zijn mond klonk geen hogere lof.

Voorlopig liepen ze door de nederzetting, in de richting van Botn, de laatste hoeve voor je bij de bergen bent. Ze hadden de hele dag voor zich en namen er hun gemak van, ze volgden het pad van de ene hoeve naar de andere, hielden halt om mensen en honden te begroeten, maar een kop koffie, nee bedankt, een andere keer – ze moesten op tijd aankomen. Dus kregen ze alle drie een slok melk. Steeds opnieuw werd Benedikt gevraagd naar zijn mening over de weersvooruitzichten. Ze vroegen het gewoon – het was niet de bedoeling opdringerig te zijn of ongeluksprofeet te spelen. Maar het kon geen kwaad om het te vragen. Misschien zei je daarna, dat ja, wat wilde ik zeggen, Leo is een kei in de weg vinden – ook in het donker en in de sneeuw. Het voor de grap zeggen en vooral je ogen niet van de grond halen, de tamelijk dreigende wolken in de lucht vermijden, al was het maar met een blik. En vlug: de weg vinden, dat kan hij wel, dat beest!

We weten alle drie de weg, antwoordde Benedikt onverstoorbaar en dronk zijn kom melk leeg: dank voor de drank.

Niets ten nadele van jou en Knoest, maar ik vertrouw toch het meest op Leo, zei de boer en verdween door de deur om iets lekkers voor hem te halen, om te knagen.
Benedikt had het er niet over dat Leo een echte paus was, maar hij gaf hem met een knikje te verstaan dat hij de tijd mocht nemen om het aangeboden eten op te eten, hij kon wel wachten, Knoest kreeg intussen een pet vol vers hooi. Toen gingen ze weer op pad, alle drie.

Benedikt was vandaag niet naar de kerk geweest, nee, er was geen tijd voor. Als hij op een tamelijk fatsoenlijke tijd wilde aankomen om uit te kunnen rusten en de volgende dag vroeg te vertrekken voor een lange tocht, moest hij de dag vanaf de vroegste morgenstond benutten.
 


Dat hij het de eerste dag zo rustig aandeed, was vooral met het oog op Knoest. Niet om het een of ander, Knoest was goed genoeg en hij deed zijn naam eer aan. Maar je moest ervoor waken hem van het begin af aan te zwaar te belasten. Daarom kon Benedikt niet zo goed de omweg langs de kerk nemen. Op de eerste zondag in de advent is deze tocht door het gehucht naar de hei zijn kerkgang. Bovendien had hij ook, voor hij van huis ging, op zijn bed in de knechtenkamer de tekst van de dag gelezen, Mattheus 21, over de intocht van Jezus in Jeruzalem. Maar het klokgelui, het zingen in de kleine kerk met de graszoden op het dak en de wijze, rustige uitleg van het evangelie door de oude dominee, die moest hij erbij denken. Dat ging ook wel.

Daar liep hij dan door de sneeuw, wit zover het oog reikte, grijswit onder de winterlucht, zelfs het ijs op de dorpsvijver bedekt met rijp of lichte sneeuw, alleen de lage, platte kraters die hier en daar uitstaken, tekenden de grote en kleine zwarte cirkels van hun schoorsteenkraag als een waarschuwend patroon in de sneeuwvlakte. Maar een waarschuwing waarvoor? Kon je daar ooit achter komen? Misschien zeiden die kratermonden: laat alles bevriezen, steen en water stollen, laat de lucht bevriezen en in witte vlokken neerdwarrelen en als een bruidssluier gaan liggen, als een lijkwade op de aarde, laat de adem in je mond bevriezen en de hoop in je hart en het bloed in je aderen koud worden in de dood. Diep onder de aarde leeft het vuur. Misschien zeiden ze dat wel. En wat betekende dat dan? Misschien zeiden ze ook iets anders. Maar afgezien van die zwarte kringen was in elk geval alles wit, vooral de dorpsvijver – een glinsterend wit vlak, glad als een huiskamervloer. Wie werd er hier ten dans gevraagd?

En als geboren uit al die witheid, met de zwarte kraters en hier en daar een lavazuil als een trol de hoogte in, lag er iets plechtigs over deze zondag in het bergdorp, zodat het trok in je borst. Een onmetelijke, onschuldwitte feestdag omgaf de stille rook van de rustdag uit de verspreid liggende, lage boerderijen die bijna verdwenen onder de sneeuw, een onbegrijpelijke en onbegrijpelijk veelbelovende stilte – de advent. Ja, de advent! Benedikt nam het woord behoedzaam in zijn mond, dat grote, stille, wonderlijk vreemde en tegelijkertijd ook bekende woord, voor Benedikt wellicht het diepst bekend van al. Hij wist weliswaar niet precies wat het betekende, maar er lag verwachting in, verwachting, voorbereiding – dat begreep hij wel. Naarmate de jaren verstreken was dat ene woord zo goed als zijn hele leven gaan omvatten. Wat was zijn leven, wat was het leven van de mensen op aarde anders dan een onvolmaakte dienstbetrekking, die toch werd gedragen door wachten, verwachten, voorbereiden?

De goede herder van Gunnar Gunnarsson verscheen op 15 november 2016 bij Lebowski Publishers.


Gepost in: proza op 2016-11-25

Door Gunnar Gunnarsson

recente posts