‘Mijn allergrootste wens is dat papa en ik weer vrienden worden’

‘Mijn allergrootste wens is dat papa en ik weer vrienden worden’

Elke Geurts

Het verhaal is afgelopen. De achtjarige ligt in mijn armen, haar hoofd op mijn borst. Ze kruipt nog dichter tegen me aan, ik houd haar nog steviger vast.

Zo liggen we een tijdje in haar kamer en kijken naar het lichte, frisse bloemetjesbehang. Waarvan aan één muur alle kopjes van de bloempjes hangen omdat het behang daar op z’n kop is geplakt. Ik heb het zo gelaten vanwege de prachtige symboliek.

“Wat is jouw allergrootste wens?” vraagt de achtjarige. “Ik weet denk ik wel wat jóúw ­allergrootste wens is...” 
“Ja, dat weet je, mama. Dus dat ­zeggen we niet hardop.”
“Oké.”

 

Kulargument

“Wat is jóúw allergrootste wens nou?” vraagt ze. “Wát?”
“Het is niet mijn allergrootste wens dat papa weer mijn man wordt. Ik wil niet dat papa en ik weer in een huis wonen”, zeg ik. “Dat is niet mijn wens.”
“Nee, nee, nee”, zegt ze snel.
“Ik wens dat we alle vier onze draai vinden in twee huizen en…”
“Maar waarom is dat jouw wens eigenlijk niet? De achtjarige gaat rechtop zitten. “Waaróm niet?”
“Ik ben echt niet meer verliefd op papa.”­

De achtjarige trekt haar neus op. ­Ikzelf vind het ook nogal een kul­argument. Het is mijn wens gewoon niet meer. Ik heb nu een ander leven voor ogen. Punt. Uiteindelijk zeg ik: “Ik wens wél dat papa en ik weer goede vrienden worden.” Al weet ik niet of dat helemaal conform de waarheid is. “Anne helpt ons daarbij, hè?”

Ik vertel dat haar vader en ik de dag ervoor weer met Anne – de mevrouw die ons helpt – hebben gesproken. Over hoe het met ons gaat sinds de scheiding, over wat we nog allemaal kunnen verbeteren. De achtjarige kent Anne. Het doet haar duidelijk goed dat we met Anne hebben gepraat. Dat er iemand anders is die het zaakje in de gaten houdt. Iemand die zorgt dat haar ouders in goede banen worden geleid. Dat zij dat niet op zich hoeft te nemen.

 

Vliegende Hollander

“Ik wil alleen nog maar een keer samen op vakantie”, zegt ze. “Dát was mijn allergrootste wens.”
“Dat zie ik ook niet gebeuren.”
“Nooit meer?”
“Nou, we gaan heus ooit nog wel een dagje weg. Zoals vorig jaar naar de ­Efteling. Weet je nog?”

“Ja! Gaan we naar de Efteling? We gaan naar de Efteling! Wanneer gaan we naar de Efteling? Maar het is ­winter, mama. Kunnen we dan wel in de Vliegende Hollander?”


Gepost in: faits divers op 2019-01-28

Door Elke Geurts

Deze column is eerder gepubliceerd in Trouw. De roman Ik nog wel van jou verscheen onlangs bij Lebowski.


Ook van Elke Geurts

Zo vrij als een vogel, maar dan die exen

Het was een warm weekend waarin M. en ik de kinderen niet hadden. We zaten de hele ochtend al in mijn achtertuin. We droegen allebei een nacht­japon. We hadden het over de man-vrouwverhoudingen en lazen de krant. Hij een artikel over het aangeboren verschil tussen mannen en vrouwen, en ik las iets over China.


‘Ik ben het ongelukkigste kind van de wereld!’ riep mijn dochter

Hier spreekt tot u een afhankelijke, ongelukkige vrouw, met een bij vlagen theatraal karakter. Ze zag onlangs haar veertienjarige dochter met een rotvaart de IJ-tunnel in verdwijnen, en op de terugweg kon zij alleen maar necrologieën bedenken. 




recente posts